Hoofdstuk 4. De Uplands
Meerdaagse tochten - Lake District - Wales - Pennines - Cheviot Hills - North York Moors - Moors van Zuid-West Engeland
Vrijwel alle hooggelegen gebieden in Engeland en Wales zijn bekende wandelgebieden. Ze hebben alle het typisch Britse kenmerk van groene met gras en heide begroeide bergen en heuvels. Bossen komen op grotere hoogte nauwelijks voor, en wat er aan bos is is bijna altijd produktiebos. Voor een wandelaar bieden de verlaten hoogten enorme mogelijkheden, aangezien je boven de weidestructuur eindeloos kunt zwerven. Meestal is het betreden van dit open land namelijk geaccepteerd. Wat niet wil zeggen dat het makkelijk lopen is door het veen, door de hei of het hoge gras. Als er paden zijn, ligt het voor de hand deze te volgen.
Bergen en heuvels dus. Maar een heuveltje is nog wel wat anders dan een berg, zul je zeggen. Inderdaad ijn er grote verschillen. Het is alleen moeilijk een grens te trekken. Van de gebieden die ik tot 'uplands' reken zijn de North York Moors en de Exmoor zonder meer heuvels te noemen. Ze zijn vrijwel overal glooiend en de hoeveelheid rotsige stukken is zeer beperkt. Aan de andere kant van de schaal liggen het Lake District en Snowdonia, de echte bergen. Het wandelen door deze gebieden is goed te vergelijken met het bergwandelen in de Alpen of Pyreneën. Rotsige paden over steile hellingen.
De grote middenmoot is echter vlees noch vis. Je kunt er een steil dal opklimmen over grote puinhellingen en bovenop ontdekken dat de 'berg' zo plat is als een dubbeltje. Deze verrassing wacht de wandelaar die aan de Pennine Way begint. Na een tweetal uren vrolijk klauteren over een rotspad staat hij of zij aan het begin van een groot plateau met gezellig soppend veen.
Veen ofwel 'peat' is het visitekaartje van de meeste heuvelgebieden. In het Lake District en Snowdonia blijven venige gebieden beperkt tot kleine vlakke stukken die een slechte afwatering hebben. Maar de rondere 'moors' van met name de Pennines, de Cheviots, midden-Wales en Dartmoor bezitten allen een uitgestrekt veenpakket dat op sommige plaatsen ruim vier meter dik is. Een slecht doorlatende steensoort in de ondergrond gecombineerd met weinig reliëf is hiervan de oorzaak. Hoe slechter de afwatering, hoe meer veen, is een algemene stelregel.
Lopen over veen is fantastisch. De verende eigenschappen zijn een weldaad voor de gewrichten in je benen. Iedereen die na een dag lopen over asfalt last heeft van knieën en enkels, weet dat een verende zool noodzaak is. Men koopt jogging-schoenen. Ik prefereer veen. Levend veen wel te verstaan. Want veen heeft één nadeel: het gaat niet lang mee. Door intensieve betreding legt de begroeing het loodje en blijft slechts een zwarte turflaag over. Met een beetje regen verandert dat zwarte naakte veen in een smerige modderpoel. De volgende duizend wandelaars lopen daar uiteraard omheen, met als gevolg dat de poel zich steeds meer uitbreidt. Zo ontstaan op den duur 'bogs', grote zwarte plekken van nat glanzende drek, die geen enkele steun meer bieden aan een mensenvoet. Je zakt er soms tot aan je dijen in weg. Nee, onbegroeid veen is een ramp. Je hebt de vegetatie van grassen, mossen en heide hard nodig om de te kleine oppervlakte van je voeten te compenseren. Op de Pennine Way zou je volgens mij het beste sneeuwschoenen kunnen meenemen. En dan nog wens ik je veel sterkte.
Niet alleen de betreding door mensen maakt van het veen een zooitje. De natuur doet net zo hard mee. Storm, wind en regen, die alledrie op de kale heuvels ongehinderd hun gang kunnen gaan, brengen het veen in beroering en zijn de oorzaak van het ontstaan van kanaaltjes en bulten in het veen. De Engelsman spreekt van respectievelijk 'peat groughs' en 'peat hags'. Soms is het veen helemaal weggespoeld en is de bodem van zo'n peat grough van stevige rots. Meestal zijn het echter gewoon zwarte drek-sloten, waar je zo goed en zo kwaad overheen moet springen. Deze vorm van erosie tref je vooral aan op dikke, vrijwel horizontaal liggende veenlagen. Met name brede passen, de laagte waar het afstromende water van twee heuvels blijft hangen, staan er om bekend. Lopen over een dergelijk micro-reliëf kan knap lastig zijn.
Op een enkele plaats zijn de veenpakketten door mens en natuur zo verweerd dat de begroeing compleet verdwenen is. Af en toe is de resterende turf dan ook over grote stukken weggespoeld en begint het geheel aardig op een maanlandschap van zwart veen en grijze rots te lijken. De enige plekken waar ik dit tot dusver ben tegengekomen liggen in de Dark Peak.
Op de bergtoppen van Noord-Wales en het Lake District is het vrijwel een en al rots. Er heerst een soort hooggebergteklimaat en de vegetatie lijkt op die van een toendra. Het is vooral de wind die hier huis houdt. Windstil is het bijna nooit.
Beide gebieden hebben lange tijd een ijskap gehad en dat is goed te zien. De toppen zijn overwegend flink gespitst en hebben één of meerdere karen, door het ijs uitgesleten kommen waar niet zelden een meer in ligt, een kaarmeer. Opvallendste glaciale kenmerk zijn wel de U-vormige dalen waarin met name in het Lake District vaak langgerekte meren liggen. Liefhebbers van andere glaciale kenmerken zoals drumlins, hangende zijdalen, bultrotsen, morenen en zwerfkeien kunnen hier hun lol op. Veel van deze glaciale karakteristieken tref je ook aan in de overige uplands, met uitzondering van Dartmoor en Exmoor.
Het wandelen in de uplands is dus veelal 'hill-walking'. Dit betekent echter nog niet dat je in de dalen geen eenvoudige wandelingen zou kunnen maken. Het tegendeel is eerder het geval. Bijvoorbeeld in een gebied als de Yorkshire Dales, dat prachtige moors heeft, maar toch vooral haar bekendheid heeft gekregen door haar beroemde dalen. Er zijn genoeg mogelijkheden om prachtige tochten te maken zonder dat je direct de heuvels in moet.
De uplands in Engeland hebben bijna allemaal dezelfde landschap-struktuur. In de dalen liggen de dorpen en verspreide boerderijen, met daaromheen de weilanden. Akkerbouw komt zelden voor. De weiden kennen schitterende vormen van afscheidingen, variërend van hagen en houtwallen tot stenen muurtjes, die het land het aanblik van een grote lappendeken geeft. Deze lappendeken van weiden gaat op een bepaalde hoogte over in ruig land. Deze grens, meestal gevormd door de muur of haag van het laatste weiland, is vaak heel markant. De groene goed onderhouden weiden steken dan scherp af bij de ruigere begroeing van de heuvels. Hier concurreren de grassen met mossen, hardnekkige varens, heide en ander struikgewas. Het is vooral het domein van de schapen. In de dalen kun je ook rundvee aantreffen.
Hoewel veel mensen de uplands zullen waarderen om hun ruigheid en hun verlatenheid, is het vooral de combinatie van ruige hoogten en lieflijke dalen die de gebieden hun veel geprezen schoonheid geven. Zonder de aanwezigheid van fraaie bosages en houtwallen in de dalen zouden de uplands niet veel meer zijn dan kale gebieden. Het zou weinig zin hebben om een heuveltop te beklimmen als je van daar af geen prachtig uitzicht over het karakteristieke Engelse landschap zou hebben. De combinatie van berg en dal biedt bovendien voldoende mogelijkheden om in te spelen op het grillige weer. Bij minder weer maak je een lekkere wandeling door een dal naar een waterval of iets dergelijks.
Een echte tocht door de uplands van Engeland is de Coast to Coast Walk (306), die achtereenvolgens drie verschillende berg- en heuvelgebieden van noord-Engeland doorkruist: het Lake District, de Yorkshire Dales en de North York Moors. Deze route was een idee van Wainwright, als reactie op de Pennine Way, eigenlijk om te laten zien dat iedereen zelf een meerdaagse route kan bedenken, gebruik makend van bestaande right of ways. Het gevolg was dat zijn schitterende Coast to Coast Walk een van de eerste populaire 'officieuze' lange-afstandspaden werd.
Met het doorkruisen van drie nationale parken is het een zeer afwisselende route. Geen dag is hetzelfde.
Startend in St. Bees Head aan de Ierse Zee komt de route al snel in het Lake District. Hoewel de route van Wainwright relatief laag blijft - hij neemt enkele passen - beschrijft hij ook een aantal varianten over bergtoppen met leuke uitzichten. Alleen aan het eind van het Lake District moet de route over de bergrug van High Street heen en heb je geen andere keus dan Kidsty Pike op te klimmen: met 781 meter het hoogste punt van de route. Aansluitend kom je na een kalksteenplateu via Kirkby Stephen het Yorkshire Dales nationaal park binnen, steekt de Nine Standards Rigg over en belandt zo in het mooiste deel van het Swaledale. De voormalige loodmijnen in twee zijdalen worden aangedaan, waarna je samen met de Swale bij Richmond de Yorkshire Dales verlaat. Na de oversteek van de Vale of Mowbray (het enige saaie stuk) staan de North York Moors nog op het programma. Een stuk loopt de route parallel aan de Cleveland Way en blijft dan hoog over de heidevelden lopen tot aan het dorpje Glaisdale. Hierna wordt een lagere route gevolgd tot aan het prachtige eindpunt in het zeeroversnest van Robin Hood's Bay.
Meerdaagse tochten - Dagtochten - Leuke punten - Kaarten, gidsen en literatuur - Tochtverhaal
Het Lake District is het neusje van de zalm in Engeland. Al ruim een eeuw is het een bekend toeristisch gebied, waar de Britten uit het industrie-gebied van Liverpool, Manchester en Leeds naar toe trekken. Al sinds 1951, toen het gebied een nationaal park werd, is er veel aandacht geweest voor het in goede banen leiden van het toerisme. Vooral het potentiële conflict tussen wandelaars en boeren werd niet over het hoofd gezien. Men probeert de oorspronkelijke bevolking zo veel mogelijk te betrekken bij het beheer van het nationaal park. Anderzijds worden er steeds intensieve campagnes gevoerd om het gedrag van de toeristen te verbeteren, iets waar overal in Engeland veel aandacht aan wordt besteed.
Wat is er nou zo mooi? Dat is een vraag waar schrijvers en dichters zich al tientallen jaren over buigen. Iedereen was lyrisch over het gebied en trachtte dat in woorden te vangen. Mijn poging zal bij al deze proza en poësie wel in het niet vallen.
Het Lake District is eigenlijk een stukje getemd Schotland. In plaats van verlaten valleien zijn de dalen in het Lake District al eeuwen bewoond. Met de opkomst van het toerisme is het boerenland aangevuld met veel dorpjes waar je de beschaving aantreft in de vorm van inns en hotelletjes. Desondanks is het landelijke karakter uitstekend bewaard gebleven. Kleinschalig. De weggetjes zijn niet verbreed om het de toeristen gemakkelijk te maken. Gigantische caravan-parken tref je hooguit aan bij een aantal steden in het gebied. Grote toeristische uitspanningen zijn beperkt gebleven tot de ingang van 'the Lakes': rondom Windermere en Ambleside.
Wanneer je uit deze lieflijke dalen klimt, ervaar je pas de grootsheid van het gebied. Het ene moment zit je bij de open haard in een gezellige pub, een uurtje later sta je temidden van ruige bergen die wat betreft steilheid en grilligheid niet onder doen voor de Schotse westkust. Maar zelfs de bergen lijken getemd. Immers, de hoeveelheid en de breedte van de paden wekken de indruk dat het een eenvoudig wandelgebied is. "Wat zoveel mensen kunnen, kan ik ook". Verkijk je er niet op. Buiten de beschutte dalen, op de 'fells', is het Lake District helemaal niet getemd. De bergen lijken weliswaar niet hoog, maar dat zegt niets. De relatieve hoogte is enorm. Op twee kilometer van de hoogste top (977 m) ligt Wasdale Head bijna op zeenivo. Op de fells kan het flink spoken. Het voordeel van de perfecte paden-structuur is hooguit dat je je relatief snel kunt verplaatsen. Als het weer verslechtert kun je in vrij korte tijd weer in een bewoond dal zitten. Ploeteren door hoog gras of heide is er bijna nooit bij.
De goede en vele paden maken van het gebied een prima bergwandelgebied. Je kunt vrijwel op alle plaatsen komen. Alle bergtoppen zijn te voet bereikbaar zonder halsbrekende toeren. 'Scrambling' - klauteren - is slechts op een aantal plaatsen noodzakelijk. Dat zijn: het pad over Sharp Edge, bij de berg Blencatra; de paden over Striding Edge en Swirral Edge bij de Helvellyn; over Scar Crag in de Grisedale Pikes; op een aantal routes naar Sca Fell. Het is vrij eenvoudig om deze stukken te mijden.
Als je hoog bent valt het je op dat de bergen in het Lake District ongeveer op hetzelfde niveau liggen. Het gebied is ook ontstaan als een koepel die doorsneden is door een aantal diepe dalen. Die dalen zijn als de spaken van een wiel: ze beginnen in het centrum en lopen in rechte lijn naar alle windrichtingen uit. Dat geeft flinke vergezichten. Vanaf Sca Fell, het centrum van het gebied, kijk je recht door het Wasdale naar de kust, waar je de beruchte kerncentrale van Sellafield ziet liggen.
De gesteenten stammen grotendeels uit het Paleozoïcum. In een noordelijke gordel, rondom de berg Skiddaw, tref je de zogenaamde Skiddaw Slates aan, een oude leisteen. Deze steensoort is verantwoordelijk voor de ronde vormen en mooie gelijkmatige hellingen met weinig uitstekende rots die je in deze zone aantreft. In het middengebied is de rots in de ondergrond vulkanisch van oorsprong: de Borrowdale Volcanics. In het landschap is dat direct herkenbaar aan de gevariëerde grillige vormen. De bergen zijn getooid met veel rotskragen, piekjes en kliffen. In het zuiden heb je een band met gesteente uit het Siluur, merendeels leisteen. De heuvels hebben hier veel zachtere vormen en zijn meteen een stuk lager, nog amper uplands te noemen. Het lieflijke Grizedale Forest, tussen Coniston Water en Windermere, heeft een heel ander karakter dan de woeste bergen.
Op sommige plaatsen in het Lake District is vulkanisch gesteente (met name graniet) ingedrongen. Vooral bekend is het stollingsgesteente op de top van Carrock Fell, ten noorden van Blencathra.
Een blik op de kaart leert dat de hoeveelheid bos in de Lakes beperkt is. Enkele stukken zijn niet aan de herbebossingsprojecten van de Forestry Commission ontsnapt. Ennerdale, de randen van Thirlmere en de dalen ten noorden van de Grisedale Pikes zijn volgeplant met dichte naaldwouden. In tegenstelling tot Grizedale Forest zijn deze bossen niet zo fraai.
Het Coast to Coast pad loopt van west naar oost door het gebied heen. Hoewel de route relatief laag blijft - hij neemt enkele passen - zijn er ook een aantal varianten over bergtoppen met leuke uitzichten.
Van de andere lagere routes is de bekendste wellicht de Cumbria Way (113), die een zuid-noord doorsteek maakt van Ulverston naar Carlisle. Grappig is de driehoek die gevormd wordt door de Cumberland Way (129), de Westmoreland Way (158) en de Furness Way (121). De eerste steekt van Ravenglass aan de kust in het westen door de bergen naar Appleby in de Eden vallei. Vandaaraf met de Westmoreland Way door de oostelijk fells naar Arnside, aan de zuidkust, alwaar je de Furness Way kunt oppikken die je door de lage heuvels in het zuiden van de Lakes terug naar Ravenglass voert. Maar dan ben je wel 300 km onderweg geweest.
Een hoge route is de Lakes Link (206), een flinke rondtocht vanuit Ambleside die de meeste meren met elkaar verbindt.
Een meerdaagse tocht over de bergtoppen is behoorlijk zwaar. De kunst is dan zo lang mogelijk hoog te blijven. De bergruggen van Helvellyn en High Street lenen zich daar het meest voor. Wanneer je dwars op het reliëf loopt moet je al gauw per dag twee keer fors stijgen en dalen. Vandaar dat de meeste lange afstandsroutes laag blijven.
Wie echter van bergwandelen houdt raad ik aan zelf een route uit te stippelen. Gezien het veranderlijke weer is het vaak prettiger dat je niet gebonden bent aan een vaste route en van dag tot dag kunt bepalen of je hoog over gaat dan wel laag blijft. Wainwright, die het Lake District op zijn duimpje kent, heeft dit met de varianten in zijn Coast to Coast route ook ingezien.
Veruit de meeste wandelaars maken dagtochten in de Lakes. Loop een boekhandel binnen en je wordt doodgegooid met boekjes hierover. De mogelijkheden zijn dan ook legio. Op een zonnige dag ligt het zeer voor de hand om een bergtop te beklimmen. De bekendste beklimmingen zijn natuurlijk die van Sca Fell en Great Gable, meestal vanuit Wasdale Head; Old Man of Coniston, vanuit het plaatsje Coniston; Skiddaw, vanuit Keswick via Little Man; Helvellyn vanaf Mill Bridge of Wythburn aan de A591. Hiermee heb je meteen de hoogste en de drukst bezochte toppen gehad. Wie in het hoogseizoen toch graag van de rust wil genieten raad ik aan de bergen aan de randen van het nationaal park op te zoeken. Die zijn zeker niet minder mooi, maar gewoon minder bekend. Hieronder vallen: de Grisedale Pikes tussen Keswick en Buttermere, de bergen tussen Ennerdale en Wasdale en in het oosten de High Street Range met daarachter de nauwelijks bezochte Shap Fells. Ook ten noorden van Skiddaw en Blencathra zul je bijna geen kip tegenkomen.
Voor lage tochten leent het leisteen-gebied in het zuiden zich het best. In de bergen kun je echter ook prachtige wandelingen langs de oevers van de vele meren maken. Derwent Water bij Keswick is dan het bekendst, maar rond Ennerdale Water is misschien wel het mooist, vanwege de afwezigheid van een verhard weggetje langs de oevers.
In Brockhole, tussen Ambleside en Windermere, ligt het National Park Information Centre. Hier wordt middels tentoonstellingen een fraai beeld geschetst van alle aspecten van het Lake District. De Forestry Commission heeft een soortgelijk Visitor Centre in de Whinlatter Pass.
Watervallen zijn er in overvloed. In het Lake District zijn de watervallen ontstaan doordat de gletsjers de hoofddalen veel dieper uitschuurden dan de zijdalen. Het gevolg hiervan zijn de zogenaamde 'hangende zijdalen': het niveau van de zijdalen ligt een stuk hoger. Waar een hangend zijdal op het hoofddal uitkomt moet de beek een flink niveau-verschil overbruggen en tref je vaak een waterval aan. De leukste watervallen zijn ongetwijfeld diegene die alleen te voet bereikbaar zijn. Scale Force, de hoogste in het gebied, is drie kwartier lopen vanuit Buttermere. Op weg daar naar toe kom je langs de Sour Milk Gill, die over roze granietrotsen als 'zure melk' naar beneden komt donderen.
De Dungeon Ghyll Force in Langdale en de Lodore Falls in Borrowdale moet je volgens mijn Engelse vrienden gezien hebben, maar het is er wel vaak achteraan in de rij en nummertjes trekken. Het pad naar de watervallen in een andere Sour Milk Gill was men toen ik er liep aan het repareren, vanwege de horden toeristen die vanuit Grasmere even een kijkje komen nemen.
Aan prehistorische plaatsen ontbreekt het ook niet. Castlerigg Stone Circle, vlakbij Keswick, is wel het fraaiste monument van de Lakes.
Er bestaan vele wandelgidsjes over de Lakes. Een serie kan ik niet onvermeld laten: de serie boekjes van Wainwright. Acht deeltjes waarin elke hoek, elk pad, elke 'stile' per berggroep is beschreven in handgetekende kaartjes. Ondanks hun ouderdom blijven het prachtige werken voor wie het gebied goed wil uitpluizen.
De boekjes moeten wel concurreren met de goede stafkaarten, die hooguit de droge humor van Wainwright missen. Van het gebied bestaat een Tourist Map en 4 Outdoor Leisure Maps.
Een verhaal dat gebaseerd is op veel werkelijk bestaande plaatsen in het Lake District is 'The Plague Dogs' van Richard Adams. In de Nederlandse vertaling heet het boek 'Twee honden'.
Kermistoestanden
Tot Windermere is ver genoeg voor ons. Daar zijn we al snel en omdat het pas half drie is besluiten we de rest te gaan lopen. Niet zomaar via de kortste weg natuurlijk, maar een mooie route via de pont over Windermere en dan door bos en fell naar Skelwith Bridge. Voordat we bij de 'ferry' zijn ontdekken we waar het gros van de dagjesmensen naar toe gaat. Het is stampvol rond de kermistoestanden en geld-uit-de-zak-klopperijen in Bownes-on-Windermere. Wij laten het niet helemaal afweten en kopen wat ansichtkaarten en vanwege de onverwachtte hitte uiteraard een ijsje.
Het is volslagen onbegrijpelijk waarom het hier zoveel warmer is dan in het Peak District. De enige zinvolle verklaring lijkt dat het centrum van het hogedrukgebied recht boven ons hangt, waardoor de wind volkomen verdwenen is en de zon haar gang kan gaan. Hoe dan ook, we lopen de ferry op, dezelfde als die waarvoor we jaren geleden met de auto uren in de rij stonden en besloten om om te rijden, en eenmaal aan de overkant is het meteen rustig en beginnen we onmiddellijk met een fikse klim. Als we goed en wel op een uitzichtspuntje gekomen zijn gaan we onszelf versterken met een stevige 'high tea', oftewel een late lunch. De lange broeken maken plaats voor korte en we beginnen aan een schitterende tocht die pas om half acht zou eindigen bij Tarn Foot Farm, waar drie makkers al lang op ons stonden te wachten .
Zij waren voor de deur afgezet en hadden niet van de warmte kunnen genieten, over de heuvels gestruind en zoveel reeën gezien.
Pike of Blisco
De korte broek kan weer aan, maar wat belangrijker is: de lange broek, waar na één dag al twee scheuren in zaten, kan gespaard worden voor verder onheil. Ik verheug me al vast op een dagje wandelen over de hoge fells van het merendistrict met de heerlijke uitzichten. Dat het Lake District het mecca voor de Engelse wandelaar is, is zeer begrijpelijk. Uiteraard heeft dat ook zijn keerzijden.
Jan meende in het gehucht Elterwater nog stafkaarten te kunnen kopen. Het lukte mij niet hem deze gedachtenkronkel uit het hoofd te praten. Niet onterecht overigens, toen het gat een winkeltje bleek te hebben en de kruidenier ook nog OS-kaarten bleek te verkopen. Hierdoor ontdekte ik ook nog dat mijn eigen Outdoor Leisure Maps, hoe mooi ook, flink verouderd waren.
We lopen Langdale verder in. Met uitzichten op de waterval Dungeon Ghyll Force naderen we Middlefell Place en daarmee het einde van een rustig stuk wandelen langs rivieroevers. Gezien de ons nog resterende tijd lijkt mij het initiële plan om alle fell-toppen af te lopen tot aan Sca Fell niet haalbaar. De eerste klim, Pike of Blisco op, blijkt al pittig genoeg. Het verschil in loopconditie in ons groepje van vijf is groot. Pas om half drie zitten we bovenop en beginnen aan de lunch. Het uitzicht doet me bijzonder goed, vooral het uitzicht op Pike o'Stickle, het karakteristieke natuurlijke torentje dat over Langdale waakt. Beneden speur ik naar de plek waar ik drie jaar geleden kampeerde.
Schoorsteen
Bovenop de bergrug komen we minder snel vooruit dan in verwacht had. De vele rotsige piekjes die we moeten nemen zijn hier schuldig aan. Weliswaar leveren ze heerlijk klauterwerk op, maar er blijft weinig tijd over om rond te kijken. Op Crinkle Crags wordt het nog even lastig voor mij, wanneer het schoorsteen-pad geblokkeerd wordt door twee enorme rotsblokken. Op zich zie ik niet zo op tegen een stukje klimmen, maar in deze omgeving, met rechts naast ons een duizelingwekkende diepte, wint mijn hoogtevrees het van mijn zelfvertrouwen. Mijn compacte rugzak blijkt gelukkig een groot voordeel, want de rotsblokken laten nog net een spleet vrij waar de anderen niet doorheen kunnen komen. Geen halsbrekende toeren voor mij. Verderop op de rug van Bow Fell komen we geen problemen meer tegen, ondanks de grote hoogte.
Van Angle Tarn wist ik dat het daar schitterend kamperen was. Vanuit de hoogte zien we dat we niet de enigen zijn die er kamperen. 's Avonds arriveren er nog twee anderen en van 200 meter afstand kan ik al opmaken dat het landgenoten zijn. Terwijl de Engelsen al gaan slapen drinken de zeven Hollanders koffie bij het schemerige meer.
Klauteren
's Ochtends komt Mark met het bericht dat hij rond zonsopkomst wakker was geworden en daarvan een mooie plaat had geschoten. Ik ben stikjaloers. De koperen ploert schijnt nog steeds en we lopen lekker rustig naar Styhead. Ik sta vrij lang rond te kijken. We gaan weliswaar niet de hoogste top Sca Fell op, maar mijn blik wordt toch vooral getrokken door de machtige rotswanden van deze berg en het pad dat daar overheen omhoog voert, de Corridor Route. Dat ik daar ooit opgesjouwd ben komt me nu nogal onwerkelijk voor. Ik beloof mezelf nog eens terug te gaan en draai me om.
Ondertussen zijn de beide Jannen al een stuk doorgelopen en willen wij met z'n drieën de Great Gable op. Na enig geschreeuw over en weer beginnen we aan de klim op de meest karakteristiek top van de Lakes. Veel losse stenen op onze weg, maar van dusdanige grootte dat ze niet een. twee, drie wegrollen. Lekker klauteren. Een vent op kunstof bergschoenen komt ons tegemoet. De Great Gable geeft werkelijk een fantastische blik over vrijwel het gehele Lake District, van Skiddaw in het noorden tot de High Street rug in het oosten. We kunnen het niet nalaten even rond te turen, wetende dat de anderen al lang en breed op de Green Gable zouden zitten wachten. Maar de Green Gable is zoveel lager, dat ze vanaf de top van de Green Gable niet te zien is. We zien de twee pas weer als we al aan het afdalen zijn.
Amfitheater
Met een gevulde maag beginnen we aan de enorme afdaling naar Honister Pass, het laagste punt van onze route van vandaag. Dale Head die we op Grey Knotts nog op gelijke hoogte konden zien liggen, verdwijnt langzaam achter één van zijn uitlopers. Elke stap naar beneden moeten we straks terugbetalen met een ruk aan de beenspieren in opwaartse richting. In de pas, bij de jeugdherberg en de steengroeve, vinden we met moeite drinkwater. Voor ons ligt vervolgens de rotste klim van de dag. Het rotst vanwege de afwezigheid van rots. Twee kilometer lang gestaag een scheve ondergrond, ook nog venig. Elke stap valt je hak een eind achterover en mis je de lekkere steun van rots om eens even lekker omhoog te stampen.
Het plotselinge uitzicht bij Dale Head doet dit alles vergeten. Een enorm naamloos dal dat eindigt in een grote kom ligt aan onze voeten. Onwillekeurig vergelijk ik het met Hobcarton Crag, een fraai natuurlijk amfitheater, zo'n tien kilometer hier vandaan. We blijven hoog en kamperen na het oversteken van een smalle richel bij een beginnend beekje. Drink- en vooral was-water in overvloed.
Lente
Het pad, dat hier moest beginnen, valt niet te ontdekken op de steile rotsige helling die we af moeten. Pas verderop is een beginnend spoor zichtbaar, langzaam overgaand in een glooiend grassig pad. Het reservoirtje, onderaan de kloof, biedt weinige geschikte kampeerplekjes, iets wat we de vorige middag nog overwogen hadden. We volgen de watervoorziening van High Snab, een slang die uit het reservoir komt en onder het pad in de grond gelegd is. Aldaar worden we opgewacht door een kudde blaffende teckels van het laagst gelegen huis, dat heel curieus Low High Snab heet. Met de bewoning zijn we ook weer in de lente terecht gekomen. Een overdaad aan groene bomen en geurende gecultiveerde tuinplanten overspoelt ons. Het Lake District in volle glorie: bovenin nog restanten van de winter, onderop wil het al bijna gaan zomeren. Snuivend en turend lopen we door de groene velden naar Keswick.
Het postkantoor is het eerste doel en op weg daar naar toe ontdekken we dat het 'early closing day' is. Maar gelukkig doet de grote supermarkt daar niet aan mee. Alvorens te gaan winkelen schieten we eerst even 'the Woolpack' in. Twee van ons gaan al huiswaarts en dat kan niet zonder een afscheidsdronk.
Spoortracé
Met het vertrek van die twee slaat het weer om. Een zachte spetterbui daalt over het stadje neer en we vluchten een prieeltje in het park in. Tijd voor de lunch. Altijd weer even wennen aan de natte kilte van regenachtig weer. Met de regenjacks aan en een hoes over de ransel trachten we het weer te trotseren. We volgen de rivier Greta en komen steeds verrassende dingen tegen. Zoals de frappante tegenstelling tussen modern en ouderwets op de plaats waar een groot nieuw betonviaduct het hele dal overspant, een stel grijze rokende huisjes gegroepeerd rondom de oude brug over de Greta, onder zich latend.
Inmiddels hebben we al gezien dat ons doel, de berg Blencatra, in de mist gehuld gaat. Weinig aantrekkelijk dus. Als dat zo blijft moeten we haar maar gewoon links laten liggen. Bovendien doemt er iets anders op, wat ons, zeker in dit druilweer, veel meer aanspreekt dan een bergtop. Ongewild zijn we fout gelopen en op de oude spoorlijn door het dal uitgekomen. Niemand heeft bezwaar om deze te volgen, integendeel zelfs, een verlaten spoortracé in een leeg bebost dal is een fraai stuk wegenbouw en schitterend om af te lopen. De waarschuwingsbordjes dat de oude spoorbruggen mogelijk gevaarlijk zijn, kunnen ons niet weerhouden. Alle bruggen liggen er gelukkig nog, dat is het belangrijkste. Slechts door de aanleg van een nieuwe brug van een autoweg is er een stuk spoortracé verdwenen. Maar daarvoor in de plaats kunnen we mooi droog onder die brug een kop thee gaan zetten.
De route over de oude spoorlijn wordt gecompleteerd door een stukje tunnel en het vervallen stationnetje van Threlkeld. Helaas kun je niet alles conserveren. Een boer drijft zijn kudde schapen over een overbodig geworden bruggetje over het verzonken talud. Bij navraag door Emile blijkt de spoorlijn pas in 1976 opgeheven te zijn, na misschien wel anderhalve eeuw trouwe dienst. Het stationsgebouwtje is hoofdzakelijk door vandalisme in zo'n korte tijd geruïneerd.
Eindeloos
Op weg naar de Old Coach Road komen we volgens de kaart een 'settlement' tegen, een prehistorische nederzetting. Niets van te zien, denk ik sceptisch, gezien eerdere ervaringen met dit soort overblijfselen in het landschap. Maar er blijken nog wel degelijk restanten van muren, wallen en paden te zien, tot mijn stomme verbazing. Ook de aangegeven bron vinden we terug. Eenmaal op de Coach Road - trouwens niet al te prettig om daar met een koets overheen te denderen - ontvouwt zich een grote heidevlakte, Threlkeld Common. Aan de zuidkant begrensd door een rotswand, een naaldbos en de aparte heuvel van Great Mell Fell. Naar het noordoosten lijkt de vlakte vrijwel eindeloos. Een veen-landschap met niets dan glooiende ronde vormen. Na de grillige vulkanische rotsen in het centrum van het Lake District een welkome afwisseling. We zijn aangeland in het gebied met leisteen in de ondergrond.
Witte verf
Dreigende bewolking op een kilometer hoogte zendt zo nu en dan spetters naar de aarde. Zolang de wolkenbasis zo hoog blijft zit de toppen-tocht over de Helvellyn-rug er wel in. Het enige probleem is het geploeter door het verende veen naar de eerste top: Great Dod. Zacht pollengras, en dat op de vroege ochtend. Veel energie gaat verloren in het wegzakken en je voeten hoog optillen.
Bovenop wordt de ondergrond steviger. Het is er steenkoud. Met de straffe oostenwind zijn de korte broeken niet de juiste kleding om lang stil te staan. Na een korte blik rondgeworpen te hebben beginnen we aan de relatief eenvoudige wandeling over de steeds hogere ronde bergen naar Helvellyn. Er ligt nog veel sneeuw op de toppen. De sneeuw in de kloven onder Helvellyn lijkt op deze afstand net uitgelopen witte verf. Op de noord-oost flank van Raise liggen nog uitgestrekte witte vlakten. De ligging van de Ski Hut is dan ook goed gekozen. Als we een dag later toevallig de beheerder van de hut ontmoeten horen we dat hij er drie weken geleden nog geskied heeft.
Op de platte top van Helvellyn is het druk, vergelijkbaar met een straat in een bezienswaardig stadje. De bezienswaardigheden bestaan hier alleen uit de prachtige uitzichten op de door gletsjers gevormde diepe kommen die gescheiden worden door steile kammen, 'edges'. Op één ervan, Striding Edge, wordt flink geklauterd over het rotspaadje. Regenjassen in alle kleuren van de regenboog. Onder hen glinstert het water van Red Tarn, een fraai kaarmeer.
Verkocht
Vanaf Grisedale Tarn, een meer in de pas, willen we weer omhoog, Fairfield op. Het eerste stuk gaat nog eenvoudig, maar ik krijg het behoorlijk kwaad wanneer de steilte snel toeneemt. Zo'n gemeen steil pad, met slechts wegrollend grind onder je voeten als houvast, hebben we nog niet eerder gehad. Maar ik worstel en kom boven. We bereiken een serie toppen die minder bekend zijn, hetgeen niet terecht is. Black Tippet, Hart Crag en Dove Crag zijn grillig gevormde pieken en stompen, de één totaal anders dan de ander. Na Dove Crag kijken we uit naar de eerste de beste kampeerplek. Waarschijnlijk wordt het Scandale Tarn, een klein meertje aan het begin van Scandale, maar wanneer we op Black Brow het begin van een beekje zien zijn we verkocht. Een redelijk vlak plekje, naast de door een sneeuwveldje gevoede beek geeft ons vanuit de tent een grandioos uitzicht op het 500 meter lager gelegen gehucht Hartsop. Voorlopig willen we hier niet weg.
De volgende ochtend houdt deze stemming aan en blijven we lang rondlummelen. De ene na de andere kop koffie gieten we achterover. Hoog boven de rest van de wereld, kunnen we domweg uren van deze eenzame plek genieten.
4.2 De uplands van Wales: de Cambrian Mountains
Cambrian Way - Snowdonia - Brecon Beacons - Midden-Wales
Een groot gedeelte van Wales bestaat uit uplands. Met de komst van de Angelen en Saksen werd Wales net als Schotland een uithoek waar de Kelten zich terugtrokken. Met name de uplands in Wales lijken veel op Schotland, zowel wat betreft landschap als cultuur. Het is trouwens grappig dat wij op het vasteland de Angel-saksen zijn gaan noemen naar de Angelen (Engelsen), terwijl men het Welsh de Engelsen consequent aanduidt met de naam Saeson (=Saksen).
Dit is het echte Wales, of zoals de Welshmen zelf zeggen 'Cymru' (spreek uit: "kumri"). Niet alleen zijn de namen vaak onuitspreekbaar, je merkt het ook aan de volksaard. Ik vind de mensen altijd ontzettend vriendelijk. Het zangerige Welsh wordt nog vrij veel als eerste taal gesproken. Bala geldt in Noord-Wales als een soort centrum van de Welsh-sprekende bevolking. Aberystwyth heeft de University of Wales en bovenal de natioanale bibliotheek van Wales met alle oude letterkundige werken in het Welsh. Iedereen kan uiteraard ook Engels. Maar het geeft een prettig gevoel, te communiceren in een taal die voor geen van beiden de moerstaal is. Als buitenlander kan het geen kwaad dat te laten merken, er bestaan in Wales nog steeds nationalistische gevoelens. Vooral ten aanzien van het neo-kolonialisme door de Engelsen: het opkopen van huizen als 'tweede huis'. En de bevolking voelt zich door de Engelsen ook opgezadeld met de Engelse waterreservoirs en de kerncentrale van Trawsfynydd: de anti-kernenergie-beweging is hier enorm sterk.
Met uitspraakregels zal ik niemand lastig vallen; koop maar een boekje. Vooruit, één vuistregel dan. Spreek Welshe namen nooit op zijn Engels uit, maar gewoon op z'n Nederlands. Dan zit je een stuk dichter bij de werkelijkheid.
Van zuid naar noord loopt de Cambrian Way dwars door heel Wales. Een pittig eindje, 426 kilometer van Cardiff naar Conwy. Het is bovendien een uiterst zware tocht, dwars over de hoogste bergen van Wales, en alleen aan te raden als je veel ervaring hebt met voettochten door verlaten gebieden. Kaart en kompas zullen vaak je enige houvast zijn. In die zin is de tocht ook een grote uitdaging, nog meer dan de Pennine Way. Het grote verschil is dat je op de Pennine Way nog terug kunt vallen op medewandelaars en de bewegwijzering. Beiden ontbreken op de Cambrian Way. Daarmee is de Cambrian Way in mijn ogen wel een stuk aantrekkelijker. Er zijn geen duizenden voor je geweest die het pad kapotgelopen hebben, geen zesbaans voetpad dat je eraan herinnert dat de mens een vreselijk kuddedier is.
De Cambrian Way zoekt bewust alle hoge toppen op: van de Brecon Beacons via centraal Wales en de Plynlimon naar de bergen van Snowdonia. Een starre route is het niet. De twee gidsjes geven naast de aanbevolen route ook alternatieven. Gezien het weer kan dat zeer nuttig blijken.
De drie gebieden waar de route doorheen loopt worden hierna besproken.
Meerdaagse tochten - Dagtochten - Leuke punten - Kaarten en gidsen
Genoemd naar de Snowdon, met zijn 1085 m de hoogste top van Engeland, lijkt dit nationaal park veel op het Lake District. Het gebied omvat vrijwel alle hoge bergtoppen in Noord-Wales. Evenals het Lake District zijn de gesteenten onstaan in het Cambrium en Siluur. De gesteenten van vulkanische oorsprong zijn ook hier de oorzaak van de grillige vormen die je op de Snowdon en haar omringende bergen aantreft. In het zuiden zijn de Cader Idris, de Arans en de Arenigs van hetzelfde caliber. Maar in het centrum van het park, de Rhinog Mountains, zijn deze vulkanische gesteenten weggesleten en komen oudere lagen uit het Cambrium aan de oppervlakte. Opvallend is dat deze lagen zwakker zijn dan de harde vulkanische steen: de Rhinogs zijn minimaal honderd meter lager dan de hierboven genoemde omringende bergen. Qua grilligheid doen ze echter zeker niet voor het Snowdon-massief onder. In een kring om de Rhinogs komen zachtere leisteensoorten aan de oppervlakte, die wat glooiende groene dalen opleveren.
De landschapsvormen in Snowdonia zijn grotendeels in de ijstijden bepaald. Enorme U-vormige dalen doorsnijden de bergmassieven van Snowdon en Cader Idris. Het verschil met het Lake District is dat de dalen ruimer zijn en niet doodlopen. De meeste dalen zijn dan ook als verkeersader in gebruik. Nog steeds loopt de hoofdweg van London naar de veerdienst op Ierland dwars door een van deze schitterende glaciale dalen. Een ander verschil is dat het geen lake district is: de karakeristieke meren komen hier minder voor. De twee meren bij Llanberis zijn echter wel schoolvoorbeelden van meren in een glaciaal dal, evenals Llyn Tegid bij Bala en Tal-y-llyn onderaan de Cader Idris. Een aantal andere meren zijn stuwmeren.
Waar enkele gletsjers bij elkaar kwamen zijn enorme dalen ontstaan. Het nationaal park wordt in het oosten begrensd door de Conwy Valley en in het zuiden door Dovey Valley. In het midden liggen aan weerszijden van de Rhinogs de Vale of Ffestiniog en de vallei van de Mawddach. Typerend is hun platte dalbodem waardoorheen zich de rivier slingert op weg naar een enorm brede riviermonding. Het getij komt meestal flink ver het dal in en bij eb liggen er dus grote zandbanken droog. Deze dalen, tegen een achtergrond van oprijzende bergen, leveren schitterende plaatjes op. Vooral het estuarium van de Mawddach met her en der wat bossen op de oevers wordt zeer gewaardeerd.
Het toerisme kent niet zo'n lange historie als in het Lake District, en is nog steeds minder ontwikkeld. Grotere (toeristen)plaatsen liggen aan de rand van het gebied, met name aan de kust. In het binnenland is alleen Betws-y-Coed een toeristenplaats geworden. De meeste dorpjes liggen op kruispunten van wegen. Het gevolg is dat de dalen, ondanks dat ze vrijwel allemaal goed bereikbaar zijn, leeg zijn gebleven. Snowdonia maakt daarmee een veel wildere indruk dan de Lakes. Sommige dalen missen zelfs de karakteristieke struktuur van de weilanden. In het oostelijk deel van het nationaal park, rondom de berg Arenig Fawr, liggen kale heuvels die je eigenlijk geen bergen meer kunt noemen, maar veel meer lijken op de verlaten moors van Midden Wales. Buiten het nationaal park zet dit gebied zich voort in de platte Denbighshire Moors.
Wie de verlatenheid en ruigheid waardeert zal in Snowdonia fantastisch kunnen wandelen. Er is genoeg afwisseling tussen berg en dal, ruig en lieflijk. Het aanbod aan paden is in tegenstelling tot het Lake District beperkt. In de dalen zijn right of ways voldoende voorhanden. Maar over de bergen van de Rhinogs, de Arenigs en de Arans zul je zelf je weg moeten zoeken. Bergpaden vindt je met name in het Snowdon massief en op de Cader Idris. Als je stevig op je benen staat zijn deze paden goed te doen. De Snowdon heeft zeker de steilste paden, maar ook enkele makkelijkere routes naar de top. De Glyders en de Carnedds hebben zelfs uitgesproken ronde toppen.
Het enige bezwaar kan het weer zijn. Snowdonia heeft een slechte naam op dit gebied. Soms lijkt het wel of deze bergen depressies aantrekken en vasthouden. Zelfs op een stralende dag hangt er vaak een koppig wolkje boven de Snowdon.
Het gebied wordt flink geplaagd door mijnbouw. De aanwezigheid van leisteensoorten van goed kwaliteit heeft geleid tot enorme steengroeven ('quarries') vooral in de buurt van de plaatsen Bethesda, Llanberis en Blaenau Ffestiniog. Het gebied rondom deze laatste plaats maakt een troosteloze indruk, vooral als het nat weer is. Grote stukken berg zijn weggegraven en vormen nu de dakbedekking van menig huis in Engeland. De bijbehorende arbeiderswijken zien er al niet vrolijker uit. Vele kleinere steengroeven zijn trouwens verlaten. Op een wandeling kun je zeker zo'n 'disused quarry' tegenkomen. Het lopen tussen door mistflarden omgeven restanten van gebouwtjes en trambaantjes is een bijzondere ervaring.
Andere industriële overblijfselen uit de tijd dat de meeste steengroeven nog gebruikt werden, zijn de vele oude spoorlijnen. Sommige daarvan zijn omgebouwd tot toeristisch lijntje, anderen lenen zich voor verkenning te voet.
Lange afstandspaden in Noord-Wales zijn zeldzaam. Er zijn geen officiële want de erkenning van de Cambrian Way, de enige beschreven route die in het gebied te vinden is, is ten onder gegaan in bureaucratie. Het gedeelte van de Cambrian Way door Snowdonia loopt over bijna alle bergtoppen van formaat.
Anderzijds kun je beter zelf een route ontwerpen. Het Snowdonia-klimaat vraagt trouwens om een zeer flexibele route-planning, liefst niet verder dan een dag vooruit. Mogelijkheden zijn er in overvloed, zowel voor hoge als lage routes.
Ikzelf liep een aantal jaren geleden een (noodgedwongen) vrij lage route van 12 dagen. Gestart in Betws-y-Coed en via Llyn Cowlyd Reservoir, Llyn Ogwen naar Nant Ffrancon. Van het plan om Snowdon te beklimmen kwam niets vanwege de laaghangende bewolking en dus slingerde ik een paar dagen om de berg heen via Bethesda, Llanberis, Llyn Cwellyn, Pennant naar Porthmadog. Toen was ik ver genoeg van de Snowdon verwijderd voor een mooie dag en vol goede moed compenseerde ik het verlies van Snowdon met de eerste toppen van de Rhinogs. Onderlangs verder naar Barmouth en als hoogtepunt van de tocht Cader Idris beklommen met prima weer. Tenslotte door de dalen naar Bala, het eindpunt.
De Britten kennen een idiote prestatietocht over de hoogste bergen, de zogenaamde 'Fourteen Peaks'. De bedoeling is dat je al deze toppen van boven de 3000 voet in één dag beklimt. Een man die mij eens een lift gaf had het al vier keer tevergeefs geprobeerd!
Voor gewone mensen ligt het beklimmen van Snowdon of Cader Idris het meest voor de hand. Dit zijn veruit de bekendste en meest beklommen toppen en bieden bij goed weer de beste uitzichten. De Snowdon of eigenlijk Yr Wyddfa, met zijn uitlopers naar alle windstreken, heeft vele paden die naar de top voeren, waarvan de Pig Track of de Miner's Track, die bij de jeugdherberg in Llanberis Pass beginnen, wel de meest gebruikte zijn. Bovenop staat een café en het eindstation van de Snowdon Mountain Railway, wat ik persoonlijk niet zo goed kan waarderen. Voor een pond of vijf komen ook mensen op naaldhakken boven. Voor de rust kun je beter de naastgelegen Glyder Fawr of de Carnedds bestijgen.
Cader Idris, de stoel van Idris, heeft mijn voorkeur. De berg is wat lager dan Snowdon (892 m), maar het uitzicht is wellicht beter vanwege de vrije ligging. Vanuit het noorden gezien rijst de bergrug van Idris spectaculair uit het dal van de Mawddach omhoog met een loodrechte rotswand. Ten zuiden van de top ligt Llyn Cau, een juweel van een kaarmeer met rotswanden aan drie zijden. Het Minfordd Path slingert zich om dit meer heen naar boven. Het is de kortste en tevens steilste route en begint aan de A487 bij Minfordd. Vanuit het noorden start een minder steile beklimming via het Pony Path in Islawr-dref. Een alternatief is het Fox's Path, maar dat is weer klimmen geblazen. Bovenop de Cader, Penygadair, staat een schuilhut. Het verhaal gaat dat wie hier op de berg blijft slapen, zal ontwaken als malloot of poëet.
Genoeg bergen. Er zijn namelijk aardig wat leuke tochten te maken die niet zo hoog gaan. In de omgeving van Dollgellau heeft men het een vijftal wandelingen uitgezet. Een schitterende tocht voert over de voormalige spoorlijn door het dal van de Mawddach, een zeearm, van Penmaenpool naar Morfa Mawddach Station. Hier gaat de nog bestaande kustspoorlijn met een brug over de brede monding naar Barmouth. Er ligt een voetpad naast, maar het is een tolbrug: voetgangers moesten in 1982 12p tol betalen! Aan de overkant is op de dalwand een zogenaamde 'Panorama Walk' uitgezet, vanwaar je zoals te verwachten een fraai overzicht hebt over het estuarium met Cader Idris op de achtergrond.
De 'Precipice Walk' en 'New Precipice Walk' voeren over paden op de steile flanken van hetzelfde dal, iets meer landinwaarts. Tenslotte is er de 'Torrent Walk', een pad dat de kolkende stroom van de rivier Clywedog door een beboste dal volgt.
In de bossen van Coed y Brenin, in het bovendal van de Mawddach, is een net van 80 km wandelroute uitgezet. Startpunt ligt bij het Maesgwm Forest Visitor Centre, aan de A470. Ook rondom Betws-y-Coed liggen veel 'nature trails' in de bossen.
Zelf dagtochten uitzetten is goed te doen. Een aantal van de hieronder genoemde leuke punten zijn zeer wel aaneen te smeden tot dagtochten.
Passen. Een drietal passen in de bergen zijn bijzonder. In het uiterste noordoosten van het park liggen Sychnant Pass en Bwlch y Ddeufan. De Romeinen hadden geen brug over de Conwy aan de kust en konden ook niet langs de steile rotspunt de de zee in steekt. De romeinse weg liep dan ook niet langs de kust, maar over de pas van Ddeufan, en kan nog steeds (te voet) gevolgd worden. Met de bouw van de brug werd de hoofdweg verlegd naar de nauwe Sychnant Pass die overbodig werd toen men door de rotspunt een tunnel groef voor een kustroute.
Nog mooier zijn de Roman Steps in de Rhinogs. Ter hoogte van Harlech ligt in een pas boven Cwm Bychan het plaveisel van een oude romeinse weg in de vorm van prachtige traptreden. Het pad is nog steeds right of way.
De prehistorie levert één leuk punt op. Capel Garmon, even ten oosten van Betws-y-Coed, is een van de beter bewaard gebleven grafkamers. Alleen te voet te bereiken, en goed te combineren met een tocht langs de watervallen Conwy Falls en Machno Falls en de Fairy Glen kloof.
De Swallow Falls zijn misschien wel de bekendste van het gebied, halverwege Betws-y-Coed en Capel Curig. Maar net als in de Lakes valt het water hier op vele plaatsen. Voorbij Capel Curig aan de A5 ligt misschien wel het fraaiste punt in Snowdonia. Aan het eind van Llyn Ogwen maakt het dal een scherpe bocht en wordt plots een stuk dieper. Afon Ogwen stort al watervallend deze diepte van Nant Ffrancon, het glaciale dal, in. De drukke weg met de parkeerplaats, de jeugdherberg en de theekraam doen weinig afbreuk aan het woeste landschap. Rechts gaat een steil pad omhoog naar de Carnedds, links gaat een pad door Cwm Idwal National Nature Reserve naar de Glyders via Devil's Kitchen, een eng kloofje.
Imposante watervallen zijn verder de Aber Falls, ten noordwesten van Bethesda, en de Dolgoch Falls, ten oosten van Tywyn aan de Tal-y-Llyn Railway, een toeristisch spoorlijntje. Iets ten noorden van deze watervallen ligt Craig yr Aderyn, een opvallende rotspunt langs het dal van Dysynni. De rots wordt ook wel Bird Rock genoemd. 'Birdwatching' - vogels observeren - wordt in de brede dalen aan de kust veel gedaan.
In Blaenau Ffestiniog zijn de steengroeven te bezichtigen. Er is ook een Mountain Tourist Centre. Het Snowdonia National Park Study Centre ligt wat lager in het dal van Ffestiniog, bij het plaatsje Maentwrog, omgeven door een aantal hellingbos-natuurreservaten. Het dal verder volgend kom je bij het meest idiote van het hele gebied: Portmeirion. Als je het geld er voor over hebt kun je dit namaak-Italiaanse dorpje bewonderen. Doe het met mooi weer, anders is het geen porum. Al wandelend over de landtong waar het dorpje op ligt moet je trouwens oppassen dat je niet ongemerkt zonder te betalen het dorpje aan de achterkant binnenloopt.
De Tourist Map van Snowdonia met zijn grove schaal vind ik niet veel. Neem liever de 1:50.000 of de prachtige 5 Outdoor Leisure Maps van het gebied. Van Snowdonia bestaan een aantal wandelgidsjes.
Meerdaagse tochten - Dagtochten - Leuke punten - Kaarten, gidsen en literatuur - Tochtverhaal
De Brecon Beacons zijn het zuidelijkste berggebied in Groot Brittannië met glaciale verschijnselen en een arctische alpine flora. Hoewel de naam 'bergen' niet overal opgaat. Vanuit het noordelijk van het park gelegen plaatsje Brecon kijk je inderdaad tegen een aantal stevige bergen op, de eigenlijke Beacons. Benader je het park vanuit het zuiden, dan lijken de heuvels van het enorme steenkoolgebied in Zuid-Wales zich gewoon voort te zetten. De bergen in het park zijn namelijk een prachtige cuesta. Rode zandsteen uit het Devoon (Old Red Sandstone), die in het steenkoolgebied nog diep onder de grond zit, komt in het park over een brede linie bovengronds en vormt daar een prachtige steilrand. Deze abrupte steilte met zijn rode gloed domineert de hele noordzijde van het nationaal park, van de top Bannau Sir Gaer in het westen, via Pen y Fan tot aan Hay Bluff. Op deze toppen, de Vans, heb je dan ook fraaie vergezichten over het golvende land van Midden-Wales, soms tot aan Cader Idris toe. Naar het zuiden toe zijn de uitzichten minder spectuculair.
Niet dat het saai is aan de zuidkant van de bergen. Bovenop de rode zandsteen ligt een laag harde kalksteen uit het Carboon die in deze regionen aan de oppervlakte komt. En dat is natuurlijk aanleiding voor een serie typische kalksteen-verschijnselen. Ook de volgende laag uit het Carboon, Millstone Grit, is ten zuiden hiervan terug te vinden in het watervallengebied van Ystradfellte. Aan de zuidrand van het park duiken de eerste Carboonlagen met steenkool op. Op plaatsen is de steenkool aan de oppervlakte gewonnen en is het landschap danig omgewoeld.
Van west naar oost kun je het park in vier delen hakken. Middenin liggen de hoogste toppen (de eigenlijke Brecon Beacons) en de wat lagere toppen van het Fforest Fawr, en ten oosten van het ruime dal van de Usk liggen de Black Mountains. Om het makkelijk te maken heb je in het westen van het park ook nog een Black Mountain. De naam 'zwarte bergen' gaat alleen op tijdens de dagen waarop het somber en donker weer is. De uitgestrekte onbewoonde heuvels hebben dan inderdaad iets donkers, iets onherbergzaams. Maar de Black Mountain in het westen bestaat voor een groot deel uit witte kwartsiet en lichtgrijze kalksteen, langzaam oplopend naar de rode steilrand, waaronder twee prachtige meertjes liggen.
De Black Mountains in het oosten worden vaak als 'walvisruggen' beschreven. Het zijn dan in ieder geval walvissen die de koppen bij elkaar gestoken hebben, want in het noordwesten komen de ruggen samen in een grote hoogvlakte. De afwisseling tussen de lange ruige ruggen en de gecultiveerde dalen bepalen het fraaie karakter van het gebied. In het voorjaar steken de groene weiden scherp af tegen de roestbruine gloed van afgestorven varens op de heuvels. Een schitterende kleurschakering die je vaak in de uplands aantreft.
De Beacons zelf hebben hele karakteristieke toppen. Soms lijken het net een soort afgeplatte pyramides. Aan de zuidkant van de bergen liggen ruggen, waarvan de vlakke top abrupt overgaat in een steile wand, een teken van vergletsjering. Veel paden lopen dan ook over de rand van deze plateaus. Verder zuidwaarts vallen in de brede dalen vooral de vele stuwmeren en de produktiebossen van de Forestry Commission op. De stuwmeren zijn met name drinkwaterreservoirs. Het enige natuurlijke meer van formaat is het Llangorse Lake, tegen de Black Mountains aan.
Een groot deel van de hoger gelegen gebieden zijn gemeenschappelijk weidegebied waar je vrijelijk kunt rondzwerven. Grote stukken met nat veen zijn zeldzaam in de Brecon Beacons. Meestal is de afwatering goed en bestaat de vegetatie uit grassen en heide. Op de Black Mountains zijn ook grote delen begroeid met varens. Naast schapen lopen er soms ook paarden en pony's vrij rond. Pony-trekking is trouwens een geliefde bezigheid in dit gebied.
Het relatief weinig voorkomen van rots aan de oppervlakte, is de reden voor het ontbreken van stenen muurtjes als perceelscheiding. Het cultuurland wordt gekenmerkt door afscheidingen van houtwallen, wat samen met restanten van het oorspronkelijke loofbos in de rivierdalletjes een lieflijk landschap oplevert. Vooral de omgeving van Llandeusant is een mooie golvende lappendeken.
Het ruime dal van de Usk met de plaatsen Brecon, Crickhowell en Abergavenny is het meest bewoonde deel van het nationaal park. De Usk meandert hier tussen vruchtbaar akkerland met de typische kleur van de rode zandsteen. Die bruin-rode kleur vindt je ook weer terug in het water van het Monmouthshire & Brecon Canal.
De Cambrian Way doorkruist zoals te verwachten het park, en wel via alle hoge toppen van oost naar west. Offa's Dyke gangers leren de Black Mountains kennen als het hoogste en onherbergzaamste stuk op het Offa's Dyke Path. De 25 kilometer van Pandy naar Hay-on-Wye kun je beter niet doen met slecht weer.
Met deze twee heb je het aantal lange-afstandspaden door de Brecon Beacons gehad, maar zoals uit mijn tochtverhaal blijkt zijn er genoeg mogelijkheden om je eigen route te maken. Een schitterende lange-afstandswandeling kun je maken door het jaagpad van het Monmouthshire & Brecon Canal te volgen, een right of way van Pontypool naar Brecon.
De Sarn Helen, de romeinse weg die dwars door Wales loopt, is vrijwel overal onverhard en steekt van zuid naar noord door het park.
Het beklimmen van Pen y Fan (886 m) en de omliggende toppen ligt natuurlijk zeer voor de hand. Automobilisten beginnen meestal bij het Storey Arms Centre, in de pas aan de A470. Leuker is om er een flinke dagtocht vanuit Brecon van te maken, dat geeft bovendien meer voldoening. Bijvoorbeeld via het grappige kaarmeertje Llyn Cwm Llwch. De uitzichten op de glaciale dalen, de Cwms, zijn fantastisch. (De w is een oe, dus spreek uit: koem.)
Makkelijker zijn een drietal beklimmingen vanuit Abergavenny, nl. die van de Sugar Loaf, de Blorenge en het steile piekje Ysgyryd Fawr. Vanwege hun vrije ligging hebben deze veel beklommen toppen weidse uitzichten naar alle kanten.
Veel minder druk is het op de andere heuvels. Een tocht vanuit het piepkleine dorpje Llandeusant naar de Bannau Sir Gaer en de beide meren onderaan de steilrand is zeker de moeite waard. Liefhebbers van grillige kalksteenlandschappen moeten ten zuiden van deze heuvelgroep gaan lopen.
Bij mooi weer lenen de 'walvisruggen' van de Black Mountains zich perfect voor 'ridge-walking', urenlang op grote hoogte over een rug wandelen met continu zicht op de dalen.
Diverse watervallen-tochten tussen Pontneddfechan en Ystradfellte zijn goede alternatieven bij minder weer. In de bossen rondom de stuwmeren zijn diverse Forest Walks uitgezet.
In het uiterste westen van het park, bij Trapp, tref je leuk kalksteenlandschap. Op een rots ligt de ruïne van Carreg Cennen Castle te schitteren. Oostelijker in het kalksteengebied zijn een aantal grotten te bezichtigen. De Dan-yr-Ogof Showcaves kosten geld, de Porth-yr-Ogof bij Ystradfellte is gratis te bewonderen, en goed te combineren met een tocht langs de watervallen in de Hepste, Mellte, Nedd en Pyrddin. Een vergelijkbaar rivierdal is dat van de Nant Llech met de Henrhyd Falls bij Coelbren. Cwm Clydach is een prachtig dal ten westen van Abergavenny, dat ondanks industriële activiteit sinds de 17e eeuw veel schoons heeft weten te behouden.
Het Monmouthshire & Brecon Canal heeft een aantal interessante punten, zoals het aquaduct over de rivier Usk bij Brecon en de tunnel ten zuiden van Talybont-on-Usk.
Net buiten het nationaal park, aan de oostkant van de Black Mountains liggen de prachtige Olchon Valley en Crib y Garth. Dit laatste wordt ook wel Cat's Back genoemd, omdat de rotsige richel veel weg heeft van een katterug. Er loopt een pad overheen. Bij een wandeling door de andere lieflijke dalen van de Black Mountains moet je in de Vale of Ewyas zeker de ruïne van Llanthony Priory aandoen en in het dal van de Grwyn Fawr de kerk van Partishow.
Interessant is natuurlijk ook het Garwnant Forest Centre in Cwm Taf en het Mountain Centre bij Libanus. De laatste biedt naast informatie over het nationaal park ook wandelingen met een gids.
Heel het nationaal park wordt bestreken door drie Outdoor Leisure Maps. Gidsjes met beschreven dagtochten zijn in ruime mate voorhanden.
Het beroemde boek van Richard Llewelyn, 'How green was my valley' (Hoe groen was mijn dal), speelt zich in het ten zuiden van het nationaal park gelegen steenkoolgebied van zuid-Wales af.
Als ik na vijf kilometer lopen bij een boerderij aanklop, wordt ik ontvangen als nooit tevoren. Twee weldenkende mensen die mijn ouders hadden kunnen zijn. Een paar jaar geleden bewust hier naar toe verhuisd, de oude boerderij van de ouders van Evan. Het echte 'back to the roots'. Een vreselijke gastvrijheid valt mij ten deel, alsof de verloren zoon is thuisgekomen.
Het hogedrukgebied houdt voorlopig aan. De zon schijnt fel mijn tent in als ik opsta. Voor mijn gevoel is het al erg laat, maar de met het kompas gemeten zonnetijd weerspreekt dit. Lastig als je je horloge verloren hebt. Als ik ingepakt ben ga ik op uitnodiging binnen thee drinken. Tenslotte kom ik er niet onderuit dat Evan me naar Brynaman rijdt, hoewel ik graag had willen lopen. Hij onderbreekt er zijn werk aan de schuur voor. Legt me bovendien nog uitgebreid uit hoe ik moet lopen. In zijn Golfje zet hij me voor de winkel in Brynaman af. Het afscheid is heel hartelijk, ik moet nog eens terugkomen.
Grote weg
Een stuk zwaarder sjouw ik het dorp uit, naar de rand van het nationaal park. Aldaar staat een oude man te staren over de kale Black Mountain. Hij begint tegen me te praten, hoe ik heet en waar ik vandaan kom, en als ik vertel dat ik de Black Mountain opga, raadt hij me aan de grote weg te nemen. Ik zeg dat ik liever het pad neem dat hier begint en hij is zeer verwonderd. Ja, vroeger liep hier de oude weg, maar die wordt door niemand meer gebruikt. Dat pad nam ik dus.
Langzaam stijg ik de heuvelrug op. De oude weg is goed te volgen en af en toe nog perfect intact. Bovenop buig ik van het pad af en kruis de nieuwe (asfalt)weg. Ik klim Garreg Lwyd op en lunch achter de cairn, uit de wind in de zon. Alles gaat uit. Maar een toevallige wandelaar dwingt me weer tot enige civilisatie.
Legende
Ik kom hem weer tegen op een grillige kalkstenen rug, Garreg Las, waar op de top twee cairns liggen. Historisch, volgens de kaart, maar ik zie het er niet aan af. Het is absurd warm, met een straffe wind over de toppen, maar helaas alleen erg heiig. Ik voel mezelf verbranden. Bij Pen-Rhiw Goch kan ik het meegenomen vieze water uit een poel weggooien. Hier stroomt gelukkig weer een beekje: theepauze dus. Omdat het zo droog is geweest, is het vinden van water voor Engelse begrippen nogal problematisch. Alle kleine stroompjes zijn opgedroogd en in het kalksteengebied zijn sowieso geen beekjes te bekennen.
Als laatste komt de klapper van de dag: de steile kliffen die de noordelijke hellingen van de heuvels hier kenmerken. Schitterende wanden, met een prachtige horizontale gelaagdheid waarin de sporen van het devonische rode zandsteen nog het meest opvallen. Na een klim op de Bannau Sir Gaer kijk ik op het meertje Llyn y Fan Fach neer. Het meer herbergt een prachtige legende die verbonden is met het ontstaan van de geneeskundige wetenschap van Wales. Noordelijker ligt het dorpje Myddfai waar de drie geneeskundigen woonden die de Keltische kennis van geneeskrachtige kruiden voor het eerst op schrift hebben gesteld.
Om Fan Bryncheiniog op te klimmen moet ik mezelf bij elkaar rapen. Ik ben bekaf. De koude wind giert om me heen terwijl ik door het verende gras mezelf naar de top toe worstel. Daaronder moet Llyn y Fan Fawr liggen, het meer van de grote top. Het uitzicht er op geeft me weer frisse energie en langs de steile rand loop ik naar Bwlch Giedd, alwaar een paadje afdaalt naar het meer. De meest windvrije plek lijkt aan de andere zijde van het meer te zijn. Bovendien is daar volgens de kaart een stroompje. Beiden blijken min of meer waar.
Direkt na het eten val ik boven mijn bord in een diepe slaap. De afwas en het bijhouden van het dagboek gebeuren bij een kaarsje in het donker.
Sinc Giedd
Iets ander weer. Een stevige wind voert steeds lagen bewolking aan, waar de zon af en toe tussen door prikt. Vlak voor ik mijn tent afbreek miezert het even. Toch ziet het er stabiel uit. Vandaag wordt de dag van het kalksteengebied, maar eerst loop ik nog een ruggetje af. Fan Hir, een hele mooie. Uitzichten over de toppen van de Brecon Beacons tot aan Hay Bluff bij Hay-on-Wye toe.
Sinc Giedd is het eerste doel. Op de kaart verdwijnt hier de complete rivier Giedd onder de grond. Waarschijnlijk dezelfde die bij de toeristische grotten van Dan-yr-Ogof weer het leven ziet. Ik verlaat Fan Hir en steven er recht op af, dwars door het venige land. De teleurstelling is echter groot. Omdat het zo droog is geweest de laatste tijd, zinkt de beek al onder de oppervlakte ver voor ze Sinc Giedd bereikt. Wat mij rest is het beeld van een droge rivier die een grot ingaat.
Ondertussen begint het weer helemaal op te klaren. De bewolking lost op en de zon wint terrein. Ik struin over de gekke 'limestone' heuvels van Garreg Goch en Castell y Geifr. Verspreid liggende rotsblokken alom, een soort slagveld. Op weg naar het dal van de rivier Tawe blijf ik bij Cwm Haffes voor een lange lunch steken.
Bultjes en puisten
De prehistorische beesten die bij de toeristische uitspanning staan opgesteld, zie ik door mijn verrekijkertje. Aan het aantal geparkeerde auto's te zien moet ik daar niet wezen. "Dan-yr-Ogof showcaves" zegt de kaart, en ik geloof ook zo wel dat het prachtige grotten zijn. Stalacmieten en stalactieten, ze zijn allemaal hetzelfde. Craig y nos, een paar honderd meter verderop gelegen 'countrypark', lijkt me ook niks op een mooie zondag. Mijn paadje loopt er netjes langs af. Na een klim het dal uit komt het betere werk. Achter het huis van een speleologenclub ligt een natuurreservaat. Gereserveerd omdat het er stikt van de grotten en onderaardse gangen. Volgens een uitgebreid bord is het het eerste grottenstelsel dat tot natuurreservaat is uitgeroepen. De grotten zijn meestal afgesloten en exclusief toegankelijk voor leden van de speleo-club.
Maar bovengronds mag iedereen over het openbare pad lopen. Ik kom er verder geen kip tegen en het is er toch heel gaaf. Een grillig landschap van bultjes en puisten van naakte kalksteen. De rotsen veelal door het regenwater gespleten en gegroefd. In de diepe gleuven een rijkdom aan planten. Af en toe een depressie in het land, met onderin de kuil een verborgen toegang tot het ondergrondse natuurreservaat. Het paadje slingert zich kilometers lang tussen de puisten en gaten door en eindigt heel plotseling bij een kaarsrechte muur, waarachter alles totaal verandert. Het eind van het 'nature reserve'. De overgang verbaast me enorm; zelden heb ik zo'n abrubte landschapsscheiding gezien. Vóór de muur nog een groen grasland en witte kale rots, achter de muur een golvende vlakte, voornamelijk begroeid met heide en roestbruin mos en afgewisseld met stukken naakt zwart veen. Het enige wat doorloopt is het mooie paadje.
Zeikstraaltje
Aan het einde kruist het paadje de oude romeinse weg 'Sarn Helen' en daal ik het dal van de Nedd in. Bij de boerderij Blaen Nedd Isaf mag ik mijn tent opzetten. Met halsbrekende toeren spring ik via rotsblokken over de Nedd, om het veldje aan de overkant te bereiken. Ik zoek een plekje tussen de bomen iets verder stroomafwaarts en sta enige tijd stomverbaasd naar de droge rivier te staren. Compleet weggezonken! Het veldje wordt klaarblijkelijk vaker door kampeerders gebruikt, want de boer heeft in de steile dalwand een bronnetje toegankelijker gemaakt met een ijzeren pijp, waar zelfs in deze droge tijd nog een klein zeikstraaltje uit sijpelt.
Stevig bewolkt als ik wakker wordt. Het weer zal vandaag wel niet veel worden. Gelukkig staat er een watervallentocht op het programma. Dat combineert dus prima. Met de regencape al over de rugzak trotseer ik de eerste miezerbuien op weg naar Ystradfellte. De schapen zien vandaag wat in me: in plaats van hard hollend wegwezen komen ze nu mekkerend op me af. Een brutale ram begint zelfs aan me te snuffelen!
Gek gebied
Ystradfellte is een prachtplaatsje, bestaande uit een pub, postkantoor, kerk en school. Het postkantoor exploiteert ook nog een tea-room, maar dat gedeelte is op maandagochtend niet open. In het kantoortje weet ik alleen nog een overzichtskaartje van de watervallen te bemachtigen. Buiten het dorp stuit ik op de rivier Mellte, die hier al ondergronds gaat. Volgens de kaart moet dat een kilometer verderop gebeuren. Met weinig hoop sjouw ik naar Porth yr Ogof, de grot waar de rivier normaliter in verdwijnt. Tot mijn verrassing stroomt er daar toch een beetje water in, zodat leuke kiekjes te maken zijn. Een gek gebied hier. Een rivier die ruim tweehonderd meter ondergronds gaat, bovengronds een waanzinnig landschap achterlatend, bestaande uit grillige ronde kalksteenvormen op een pad door een voormalige bedding. Links en rechts af en toe een gat waaruit het geluid van de ondergronds stromende rivier omhoog klinkt. Wel grappig. En dan de uitgang. Ik ben ondertussen al zeker zes bordjes tegengekomen met de waarschuwing niet bij de poel bij de uitgang te gaan zwemmen. Er hebben zich dodelijke ongelukken voorgedaan! Nou is het niet bepaald zwem-weer, en de poel valt me zwaar tegen. Opgefokt door al die waarschuwingen had ik iets kolossaals verwacht, maar te zien is slechts een grot waar wat water uit stroomt. Dat is alles.
Kaas
Kennelijk is het hier 's zomers nogal druk, want ik volg steeds steile en gladde paadjes langs de rivier, die me door allerlei bordjes ontraden worden. Niet geheel ten onrechte trouwens. Een fantastisch paadje langs een rotswand voert me tot boven de waterval Sgwd Isaf Clun-Gwyn en uitgerekend daar besluit ik tot de lunch. Een mooi zithoekje. Net als ik al mijn spulletjes om me heen gedrapeerd heb, bedenk ik me dat het best wel een onverstandige plek is. Als je iets laat vallen ben je het kwijt. Ik stel me gerust: ik heb wel vaker op van die onmogelijke plekjes gezeten.
Doch hoe kan het ook anders. Ik snijd een stuk korst van mijn kaas en ploef, ik schiet uit, zie m'n kaas nog twee keer voor me stuiteren en vervolgens neerstorten in de waterval. Shit!!! En terwijl ik enkele crackers met hagelslag naar binnen werk, staar ik hoopvol naar de poel onderaan de waterval: kaas moet toch blijven drijven!? Maar wat er ook verschijnt, geen stuk kaas. Ik baal van mijn eigen stommiteit en ben dus gedwongen snel een winkel op te zoeken en het verlies aan te vullen.
Na de lunch daal ik het paadje verder af en neem een mooie afscheidsfoto van de waterval. Als ik de camera opberg valt m'n oog op iets oranje-achtigs. Met m'n verrekijkertje tuur ik naar de rand van de waterval. Verrek, daar ligt mijn kaas! Een beetje aan de zijkant, vlak voor de grote vrije val, wankelt mijn komijnenkaas. Hij trilt, maar het water krijgt hem net niet over de rand geduwd. Ik storm naar hem toe om hem te redden. Ja, daar ligt ie. Ik kan er heen lopen, over het randje, door het water. Aan de ene kant een vrije val naar beneden, aan de andere kant een steile rotswand. Gelukkig is het niet echt glad op de rots, en veilig bereik ik, mèt kaas, de vaste wal. Joepi! Ik snijd de weekgeworden lagen kaas weg en stop hem terug waar hij hoort: in de rugzak. Morgen weer komijnenkaas!
Smerig weer
De laatste van de watervallen, Sgwd yr Elra, is wel het mooist. Een tien meter vrije val in een grote kom, waarachter je - met regenjas aan - langs kunt lopen. Zo steek ik de rivier, Afon Hepste, over en klim het dal uit. Bovenop is het weer echt buuuuh! Een stevige wind waait afwisselend miezer en echte regenbuien tegen mijn kont. Ik stel mijn outfit af op smerig weer en loop via een voormalig tramlijntje naar Penderyn. Ik had al menig maal op de kaart gekeken hoe ik de heuvels over zou kunnen steken, vanwege het gebrek aan paden, maar nu was de keus simpel. Een geel weggetje zou me in zeven kilometer naar Cwm Taf voeren. Na de pas zelfs door het bos.
Terwijl het water al van achteren in mijn schoenen begint te lopen sjok ik het bos in. Het asfaltweggetje laat ik liggen en ga over op een steenslagweggetje, kenmerkend voor produktiebossen. Een kwartier later zie ik een beschut plekje liggen, net buiten het bos achter een bron. Niet lang dralen, tent opzetten. De hele verdere avond blijft het pissen en ontdek ik waar mijn nieuwe tent (nog) lekt.
Meerdaagse tochten - Dagtochten - Leuke punten - Kaarten en gidsen - Literatuur
De resterende uplands van Wales, het gebied tussen de twee nationale parken van Snowdonia en Brecon Beacons in, is buiten Schotland de meest onherbergzame streek in Groot Brittannië. In feite is het één groot plateau van moors, doorsneden door vele rivierdalen. Opvallende hoge toppen zijn zeldzaam, de Plynlimon en de Berwyn steken als enigen boven het niveau van het plateau (± 600 m) uit. Menselijke activiteit blijft vrijwel beperkt tot de grotere dalen, waarin enkele kleine marktstadjes liggen, voornamelijk agrarische centra. Er leven hier beduidend meer schapen dan mensen. Andere activiteiten in dit woeste land zijn bosbouw en de watervoorziening voor de grote steden. Het water van het viertal stuwmeren bij Elan Village loopt met een pijpleiding naar Birmingham.
Geologisch gezien vormt het gebied een grote eenheid. Overal liggen rotsen uit het onder-Paleozoïcum (Ordovicium, Siluur) aan de oppervlakte. De namen van deze tijdperken zijn hebben betrekking op Wales. Het Ordovicium en Siluur zijn naar twee oude volkstammen uit Wales genoemd. De gesteenten uit het Siluur zijn verantwoordelijk voor het grote plateau van moors; vulkanische rots uit het Ordovicium vormt de basis van de toppen Plynlimon en Berwyn. Waar de vulkanische rots weer opduikt, in het gebied rondom Builth Wells, worden de platte moors onderbroken door aantrekkelijkere landschapsvormen. Hier komen de dalen van de Ithon en de Irfon uit in het dal van de Wye en liggen de drie 'Wells', drie plaatsjes die bekend zijn geworden door hun heilzame bronnen.
Te voet kun je aardig vooruit in centraal Wales. Tochten over de moors vormen een flinke uitdaging vanwege de onherbergzaamheid van het land. Goede paden over de moors zijn echter zeldzaam. In de valleien kun je naar hartelust zwerven. Er lopen voldoende paden en je hebt het rijk alleen. Het toerisme is nauwelijks ontwikkeld, op een paar plaatsen na, zoals ten oosten van Aberystwyth, bij de Devil's Bridge. Deze streek, met zijn steile dalen aan de voet van de Plynlimon, is samen met de Wells het mooiste gedeelte van centraal Wales, en dus relatief ook het meest bezocht.
Degene die de Cambrian Way aandurft zal het verlaten plateau van de moors moeten oversteken en de Plynlimon moeten beklimmen, hetgeen zeer waarschijnlijk een flinke tocht tegen de elementen is.
Glydwr's Way (193) is de tocht van centraal Wales. De route verbindt een aantal historische plaatsen verbonden met de beroemde nationalist van Wales, Owain Glyndwr, en voert door verschillende landschappen van Wales. Van Knighton in Welsh Borderland steekt de route door Wales naar Machynlleth en van daar weer terug naar Welshpool. In totaal ongeveer in tien dagen te doen. Het Offa's Dyke Path zou gebruikt kunnen worden om de driehoek te completeren, terug naar Knighton.
Door het nauwe dal van de Wye, van Hay on Wye naar Rhayader, loopt de Wye Valley Walk (58), ofwel de Llwybr Bro Gwy. Het is een eenvoudige route die de verlaten moors links laat liggen.
Showell Styles heeft in zijn boek 'Backpacking in Wales' een aantal meerdaagse tochten beschreven. Grappig is zijn tocht die alle toeristische spoorlijntjes met elkaar verbindt.
Er zijn uiteraard genoeg mogelijkheden om dagtochten te maken. Het aantal gidsjes met routes is echter beperkt.
Voor uitzichten zijn de toppen Plynlimon en Berwyn prima geschikt. De eerste wordt meestal beklommen vanaf het Dyffryn Castell Hotel ten oosten van het plaatsje Ponterwyd. Op een heldere dag geeft de moerassige berg, ondanks de bescheiden hoogte van 750 meter, uitzicht over vrijwel heel Wales.
Vlakbij de Plynlimon ligt Devil's Bridge, een van de bekendste attracties in Wales. Bij dit plaatsje komen twee rivieren bij elkaar, de Mynach en de Rheidol. Beiden hebben enorme kloven uitgesleten, waarin de rivieren al watervallend naar beneden tuimelen. Een paadje waarvoor je toegang moet betalen leidt naar alle watervallen onderin de kloof. De onderste brug is de eigenlijke Devil's Bridge, en zeer waarschijnlijk gebouwd door een monnik uit de abdij van Strata Florida. Van deze abdij, tien kilometer zuidelijker, resten nog enkele ruïnes.
Rustiger en vaak niet minder mooi zijn de andere rivierdalen die van het Plynlimon massief naar het westen aflopen. Probeer Llyfnant Valley eens.
Een andere woeste waterval vind je aan de zuidkant van de Berwyn, de Pistyll Rhaiadr, volgens velen de mooiste van Wales.
Echt 'upland'-landschap tref je aan in Radnor Forest, een ronde berg met steile dalen waarvan alleen de noordelijke zijde flink bebost is. Aan de zuidkant klettert als een douche de waterval 'Water-break-its-neck' in een stortbak.
Showell Styles is een kenner van Wales en heeft diverse wandelgidsjes geschreven. Plaatselijk zullen wel eenvoudige gidsjes te verkrijgen zijn.
Wild Wales, geschreven door George Borrow, is een lijvig reisverslag van een Engelsman op stap door Wales halverwege de vorige eeuw. Boeiend voor hen die meer over Wales te weten willen komen.
Pennine Way - Alston Block - Yorkshire Dales - Forest of Bowland - South Pennines - Peak District
Het Penninisch Gebergte is de ruggegraat van Engeland, zo leerde je op school. Het is een heuvelrug, zo je wilt bergrug, die begint ten noorden van de plaatsen Nottingham en Stoke-on-Trent en eindigt bij de Hadrian's Wall waar de rug overgaat in relatief laag terein, de Tyne Gap. Ten noorden hiervan liggen de Cheviot Hills (zie 4.4) die niet echt tot de Pennines behoren.
Naar het zuiden toe deel ik de Pennines op in de volgende gebieden: Alston Block, Yorkshire Dales NP, Forest of Bowland, Brontë Country en Peak District NP. Dit laatste valt zichtbaar uiteen in tweeën: de Dark Peak en de White Peak. Een tweedeling gebaseerd op hoogte. De Dark Peak - nomen est omen - hoort bij de uplands, de White Peak is daarvoor veel te lieflijk en heb ik in het volgende hoofdstuk gestopt.
Maar eerst iets over de
Kaarten en gidsen - Literatuur
Het oudste en bekendste van de Britse lange-afstandspaden is de Pennine Way. Het pad gaat vrijwel constant over de hoogste delen van het Penninisch Gebergte en loopt daarmee over de belangrijkste waterscheiding van Engeland. In het oosten stromen de rivieren naar de Noordzee, aan de westkant zoekt het water zich een weg naar de Ierse Zee. De naam Pennine Way dekt niet helemaal de juiste lading. Het pad begint in Edale en slaat daarmee het lieflijkste deel van de Pennines, de White Peak, over. In het noorden is Kirk Yetholm het eindpunt, en daarvoor moet je na het verlaten van de Pennines ook nog de Cheviots bedwingen. Volgens de bekende Wainwright had een 'echte' Pennine Way moeten beginnen in het romantische Dovedale en eindigen met de verrassende aankomst bij de romeinse muur!
De Pennine Way is over haar hele 435 kilometer een tocht over uplands, en daarmee een ontzettend zware tocht. Het volbrengen hiervan geeft veel voldoening. Misschien kun je zelfs spreken van een verhoogde status. Als je de Pennine Way hebt gedaan ben je heel wat! Inderdaad vormt de Pennine Way zo'n beetje de grootste uitdaging die een lange-afstandswandelaar zich kan voorstellen. Maar het aangaan van die uitdaging is een persoonlijke zaak. Je moet het doen voor jezelf, om jezelf te bewijzen dat je het kunt. Een dergelijke motivatie heb je nodig op de momenten dat het tegenzit. De Pennine Way is niet altijd even leuk. Er zijn schitterende stukken, maar evenzovele saaie einden, waar je letterlijk en figuurlijk alleen jezelf tegenkomt.
De zwaarte zit hem niet zozeer in het wandelen op zich. Wanneer het twee weken stralend weer is, zullen mensen met een goede wandelconditie weinig problemen ondervinden. Maar het is geen twee weken stralend weer. Regen en wind teisteren de kale moors. Veranderen de ondergrond in kleffe modder, waardoor het lopen verwordt tot ploeteren. Het gevaar van uitputting en onderkoeling dreigt. De bewoonde wereld is vaak ver weg. De Pennine Way is dan een strijd tegen de elementen. Sommige mensen zouden het gewoon 'afzien' noemen.
Na het lopen van de helft van de route in vrij goede omstandigheden kan ik het niet nalaten om een wijze raad neer te schrijven. Weet waar je aan begint met de Pennine Way en doe het als de uitdaging je tart. Als je een gewoon een mooie tocht wilt maken, kies dan een ander lange-afstandspad. Begin in elk geval niet aan de tocht in je eentje. Alleen de Baron von Münchausen kon zichzelf aan z'n haren uit een moeras trekken.
Veel Britten (± 50%) lopen de route via jeugdherbergen en B&B's. Het voordeel is dat je relatief weinig bagage mee hoeft te zeulen. Nadeel en een groot nadeel is dat je gedwongen bent flinke dagmarsen te maken, volgens een nogal vast schema. Meestal kom je tussen twee opeenvolgende overnachtingsplaatsen niets tegen, dus moet je door.
In de zomer is het aantal wandelaars op de route groot, gemiddeld vertrekken er zeven lange-afstandswandelaars per dag. Tel daar gerust eenzelfde aantal dagwandelaars bij op. Als je van gezelschap houdt is dat misschien een voordeel, maar wanneer je juist de eenzaamheid opzoekt kan het heel storend zijn. Een tip is om de route noord-zuid te lopen; 80% van de wandelaars loopt noordwaarts. Die mensen kom je dan maar één keer tegen, meestal rond het middaguur.
Er zijn vele gidsjes over de Pennine Way. Die van Wainwright is wel het beroemdst. Daarnaast zijn de HMSO-gids en de gids van Constable de beste.
Gerard de Waal heeft een reisverhaal van zijn belevenissen op de Pennine Way geschreven: De Pennine Way ten voeten uit. Hij was erg (misschien wel te) enthousiast over de tocht.
Meerdaagse tochten - Dagtochten - Leuke punten - Kaarten en gidsen
De naam Alston Block zul je op geen enkele kaart tegenkomen. Het is een term uit de geologie, genoemd naar de plaats Alston. Het gebied bezit een nogal eenvoudige struktuur die nauwelijks is verstoord door bewegingen van de aardkorst in de loop der tijd. Een stabiel blok dus, dat zich uitstrekt van de muur van Hadrianus tot de A66 (Stainmore Gap) in het zuiden. Aan de westkant is de Eden vallei een markante grens en in het oosten gaat het gebied langzaam over in het oude steenkoolgebied rond Durham. Steensoorten uit het Carboon liggen overal aan de oppervlakte. De gesteentelagen liggen scheef en lopen naar het westen toe op, waar ze een prachtige cuesta vormen langs de Vale of Eden. Vanaf deze steilrand kijk je schitterend over de brede vallei naar de bergen van het Lake District. Hier ligt ook de hoogste top van de Pennines, Cross Fell, met zijn 893 meter een aardige concurrent van de bergen in het Lake District. In het oostelijk deel heb je brede langzaam aflopende dalen, zoals Weardale en Teesdale; aan de noordkant zijn het de dalen van de rivieren Allen en South Tyne. Het landschap in deze dalen is lijkt sterk op dat van de Yorkshire Dales.
Een opvallend verschijnsel is het voorkomen van de zogenaamde Whin Sill, vulkanisch gesteente dat op sommige plaatsen is ingedrongen in de Carboon-lagen. De Hadrian's Wall maakt prachtig gebruik van dit harde basalt-achtige gesteente. De Whin Sill loopt hier als een streep door de laagte tussen de Cheviots en het Alston Block en is verantwoordelijk voor de af en toe opduikende, noordwaarts gerichte rotswanden. Het was voor de Romeinen een prachtige linie om hierop de verdedigingsmuur te bouwen tegen de Kelten in het noorden. De muur slingert door het land en koppelt alle heuveltjes met hun scherpe noorzijde aan elkaar. Dit gedeelte van de muur van Hadrianus is tevens het best bewaard gebleven deel van de romeinse muur.
Ook op andere plaatsen duikt de Whin Sill op, bijvoorbeeld in het Teesdale, waar de beide watervallen High Force en Cauldron Snout hun ontstaan danken aan deze moeilijk verweerbare rotsen. Deze weerstand tegen erosie blijkt ook goed uit de kraag die je aantreft bovenin het prachtige amfitheater van High Cup, een glaciaal dal in de steilrand langs de Vale of Eden bij Dufton.
De Pennine Way neemt een goed uitgekozen route door het gebied. Een groot aantal landschappelijk leuke punten worden door de route aangedaan. Maar het blijft een zware route. Lange dagmarsen en veel stijgen en dalen.
Er bestaat een beschreven route langs de romeinse muur, de Hadrian's Wall Walk (± 120). Het middengedeelte, van Hexham naar Brampton, is het meest aantrekkelijk. De muur en het landschap zijn hier op hun best. De muur in de kustvlakten is veelal gesloopt en het volgen van de restanten van de muur betekent vaak lopen over asfaltweggetjes.
De Weardale Way (126) en de Wear Valley Way (74) zijn beiden routes die de bovenloop van de rivier Wear volgen. De Weardale Way zelfs tot aan de kust. De meeste industriële monumenten in het Weardal, zoals voormalige loodmijnen en spoorlijntjes worden aangedaan.
Vanuit de Vale of Eden loont het de moeite om op een mooie dag Cross Fell of een naburige top te beklimmen vanwege het uitzicht. Je kunt zo'n tocht goed combineren met een bezoek aan het dal High Cup.
De meeste attracties liggen echter in de dalen. Met behulp van een kaart is het niet moeilijk om een aantal leuke punten te combineren in een dagtocht. Zeker de moeite waard is de eenvoudige wandeling door het Teesdale over de Pennine Way (zie hieronder).
High Force. Vanaf het leuke dorpje Middleton in Teesdale volg je de Pennine Way over de zuidelijke rivieroever naar achtereenvolgens de watervallen Low Force en High Force. Deze oever biedt veruit de mooiste plekjes om deze enorme waterval te bekijken. De meeste toeristen stoppen met de auto bij het High Force Hotel en moeten dan entree betalen voor het mindere uitzicht vanaf de beboste noordelijke oever!
De rivier verder volgend kom je uiteindelijk bij de waterval Cauldron Snout. De bovenloop van de Tees is bijzonder mooi vanwege de rotskragen. De kalksteen die hier aan de oppervlakte komt geeft voedsel aan een rijke flora. Het gebied is erg in trek bij botanisten en de zuidelijke oever van de Tees is een National Nature Reserve.
In Stanhope in het Weardale is ooit een versteende boomstronk opgegraven in een steenkoolmijn. Hij ligt nu ter plekke te pronken.
Ten noorden hiervan is het beboste dal van de rivier Derwent aantrekkelijk. Boven het stuwmeer ligt het monumentale autovrije dorpje Blanchland. Fraai zijn de dalen van de West Allen en East Allen. Waar de beide takken samenkomen gaat de rivier door een aardige beboste kloof.
Er is sinds 1987 een Outdoor Leisure Map van het Teesdale. Voor de liefhebber is er een uitstekende archeologische kaart van de Hadrian's Wall. Gidsjes over de muur zijn ook ruim voorhanden, alsmede enkele wandelboekjes met tochten over de Alston Moors.
Meerdaagse tochten - Dagtochten - Leuke punten - Kaarten, gidsen literatuur
De Yorkshire Dales zijn niet voor niets beroemd. Een Engelse wandelvriend van mij noemt dit gebied steevast: God's Country. Van God's Bridge in de Stainmoor Gap tot ver voorbij God's Bridge in Ribblesdale tref je vele fraaie landschappen aan. Met veel variatie trouwens: de rustieke dalen worden afgewisseld door ruige moors, karstlandschappen, ronde heuvels en karakteristieke toppen. Misschien zijn de Dales wel het meest aantrekkelijke wandelgebied van het Britse eiland. Het nationale park is weliswaar ontdekt door het grote toerisme, maar de bezienswaardigheden liggen vooral op het terrein van het landschappelijk schoon. De auto-toerist die niet verder dan een kilometer van zijn auto vandaan komt, kan het gebied maar ten dele verkennen. Verharde wegen zijn schaars en voor een aantal attractiepunten moet je al gauw een eindje lopen. In de zomer zijn de wegen en dorpjes meestal vrij druk, maar met de wandelschoenen aan laat je dat al snel achter je. Mijn vriend heeft dus gelijk: het is een wandelparadijs. Een keuze maken uit het grote aantal mogelijkheden en routes is niet eenvoudig.
Twee typen gesteenten uit het Carboon overheersen het landschap in de Yorkshire Dales: harde kalksteen (limestone) en de zandsteen die Millstone Grit wordt genoemd. Tussen deze twee steensoorten ligt nog een gevarieerd pakket van zachtere lagen schalies, zandsteen en kalksteen (de Yoredale Beds). Grofweg kun je zeggen dat de Millstone Grit de heuveltoppen bekleedt, terwijl de onderliggende limestone in de lagere regionen aan de oppervlakte komt. Aangezien de lagen net als in het Alston Block scheef liggen en naar het westen toe oplopen, is de Millstone Grit in het westen meer weggesleten dan in het oostelijk deel van het park, waar de gritsteen de andere lagen nog vrijwel overal bedekt. Waar het nationaal park tegen de uitlopers van het Lake District aanligt, vind je de uitzondering op deze structuur: de Howgill Fells, steile ronde bergen die qua structuur bij het Lake District horen maar binnen de grenzen van het Yorkshire Dales NP vallen. Deze fells zijn opgebouwd uit leisteen uit het Siluur.
Het voorkomen van afwisselend hardere en zachtere steensoorten is verantwoordelijk voor de meeste natuur-verschijnselen zoals de vele watervallen en rotskragen.
In de gebieden waar de Millstone Grit overheerst vind je uitgestrekte moors, begroeid met heide of gras. Op vlakkere delen, vooral aan de oostzijde van het park, kunnen zich aardige veenpakketten hebben ontwikkeld. Typerend voor deze steensoort zijn de 'edges', randen van grijs-zwarte rotsblokken die uit de heuvels steken. Deze rotsen zijn de hardere lagen van het Millstone Grit pakket, die moeilijk verweren. Het gebruik van deze steensoort als molenstenen heeft de steensoort ook haar naam gegeven.
Waar de harde kalksteen overheerst, tref je verschijnselen van een karstlandschap aan. Omdat kalk oplosbaar is in regenwater, zijn in dit gebied de beken en rivieren verantwoordelijk voor de vorming van ondergrondse waterlopen, grotten, droge dalen etc. Veel van deze mooie natuurverschijnselen heb ik onder 'leuke punten' genoemd. Ondanks de oplosbaarheid is de kalksteen een hard gesteente dat minder snel verweert. In het limestone-gebied komen dan ook veel lange rotskragen van kalksteen voor, die 'scar' worden genoemd.
De Dales zijn ontstaan nadat het gebied tijdens de perioden van gebergte vorming als een plateau omhoog is gedrukt. De rivierdalen die zich toen begonnen te vormen zijn later in de ijstijden door gletsjers nog eens extra geaccentueerd. Glaciale verschijnselen, zoals drumlins (langwerpige heuveltjes), zijn in vele dalen terug te vinden. In sommige dalen hebben ook meren gelegen, achter door gletsjers gevormde morenen-dammen. Alle meren zijn later door de dammen heen gebroken. Wensleydale heeft de mooiste voorbeelden van de glaciale verschijnselen. Dit dal is trouwens het enige dal dat niet genoemd is naar de rivier die er in stroomt - de Ure, maar naar het dorpje Wensley. (De naam Yoredale is in ongebruik geraakt.) De plaatselijke schapekaas heet ook Wensleydale.
De schaap is het symbool van het Yorkshire Dales National Park. Samen met het toerisme zijn de schapenteelt de voornaamste middelen van bestaan in het park.
Bossen komen nauwelijks voor. De enige plaats waar je ze aantreft zijn de kleinere diepe zijdalen, waarin meestal ook watervallen zijn te bewonderen. Helaas is de Forestry Comission de laatste jaren actief bezig met herbebossingsprojecten. De bekende saaie naaldbossen.
1 Hoge routes.
Het deel van de Pennine Way door de Yorkshire Dales geeft een goed beeld van het park. Het pad volgt een vrij directe zuid-noord route over hoge heuvels. Wainwright's Coast to Coast Walk steekt door het noordelijke gedeelte van het nationaal park, mijns inziens een schitterende en afwisselende route.
Een pittige tocht, voornamelijk over hooggelegen terrein is de Yorkshire Dales Centurion Walk (161). Deze rondtocht van honderd mijl door een groot deel van het nationaal park wordt als een uitdagende tocht beschouwd. Nog zo'n uitdaging is de Three Peaks Walk (39), een route die de toppen van de Three Peaks (Ingleborough, Pen-y-ghent, Whernside) met elkaar verbindt. Er zijn idioten die er een race van maken.
De Herriot Way (89) is een vierdaagse rondtocht door het gebied rond Wensleydale en Swaledale, het toneel voor de verhalen van James Herriot. De route is zo uitgezet dat de dagetappes steeds bij een jeugdherberg eindigen. Zo ook de Yorkshire Pioneer Walk (106), een rondtocht langs vijf jeugdherbergen door een groot deel van het limestone-gebied.
Tenslotte kun je om het beheer van de ruïne van Fountains Abbey te steunen de Fountains Walk (60) lopen, van Malham over de heuvels naar de abdij.
2 Minder hoge en lage routes.
De meest favoriete route door de Yorkshire Dales is de Dales Way (130). Hoewel de naam meer suggereert loopt het pad slechts door twee dalen. Van Ilkley volg je de Wharfe vrijwel tot de bron en steek je over naar Dentdale, waarmee je het park uitloopt. De route gaat vervolgens door lage delen van het Lake District en eindigt in het supertoeristische Bowness-on-Windermere. Het pad is bewegwijzerd en gaat nergens echt hoog. Aan het begin in Ilkley zijn aansluitingen gemaakt met de plaatsen Leeds, Shipley en Harrogate. Een variatie op de Dales Way is de Abbotts Hike (177), van Ilkley naar Pooley Bridge in het Lake District.
Een aantal routes beperken zich tot één dal:
. Het Wensleydale kun je helemaal af (of op) lopen met de Yoredale Way (161), die de rivier Ure van York tot aan de bron volgt. Het eerste deel van deze route gaat door de Vale of York, buiten het nationaal park.
. Een route die de rivier Ribble van monding tot bron volgt is de Ribble Way (116). De route is bewegwijzerd en het laatste deel loopt door het nationaal park.
.Een rondtocht langs alle bezienswaardigheden rondom het Nidderdale is de Nidderdale Way (85).
Er zijn anders hele aardige boekjes met dagtochten in de Dales. In ieder geval kan ik niet onvermeld laten de boekjes van Wainwright: 'Walks in limestone country' en 'Walks in the Howgill Fells'.
Verder kan ik iedereen aanraden een kaart te kopen en op stap te gaan. Er zijn zoveel mooie plekjes in de Yorkshire Dales dat je er geheid wel een paar tegenkomt op een willekeurige wandeling.
Het aantal interessante plaatsen, vooral op landschappelijk gebied, is eindeloos. Met name in het kalksteen-gebied in het zuid-westen is ontzettend veel te ontdekken. Ik zal me moeten inhouden.
Aan de noordgrens van het park is God's Bridge een karst-verschijnsel. De rivier Greta heeft een natuurlijke brug gemaakt, waar de Pennine Way overheen gaat. Dit pad naar het zuiden volgend kom je bij de hoogste Inn van Groot-Brittannië: Tan Hill Inn, en verderop in Keld. In de omgeving van dit dorpje zijn een flink aantal watervallen te bewonderen, waarvan de Kisdon Force de indrukwekkendste is. Vooral na een dag regen stort hier de Swale bulderend naar beneden in een smalle kloof. Het lege Swaledale voorbij de waterval is volgens mij zonder meer het mooiste stukje dal van de Yorkshire Dales. Wie van vergankelijkheid houdt moet de restanten van de loodmijnen in twee zijdalen ten noorden van de Swale gaan bekijken. In de stilte van de verlaten dalen hebben ze iets spookachtigs. Het Coast to Coast pad komt er langs.
Wensleydale. Naast de vele fraaie dorpjes die het toneel vormden voor een aantal tv-series zijn in dit dal twee watervallen de moeite waard. De Aysgarth Falls en de Hardrow Force. De laatste is een schoolvoorbeeld van een Penninische waterval waar je achterlangs kunt lopen.
Bij Ripon, aan de oostzijde van het nationaal park, ligt de Fountains Abbey te midden van een glooiend parklandschap dat weinig meer met de Yorkshire Dales te maken heeft. Wel goed voor een makkelijke en mooie wandeling.
Naar het westen gaand kom je Nidderdale tegen, het enige dal met stuwmeren. Twee punten zou je kunnen opnemen in een wandeling: de Brimham Rocks, schitterend gevormde rotsblokken van Millstone Grit op de heuvel boven Dacre Banks, en de prachtige overhangende rotsen in de How Stean kloof bij Lofthouse. Over de moors kom je in Wharfedale. In dit dal is Bolton Abbey een attractiepunt. Bij de abdij-ruïne liggen prachtige stepping stones over de rivier. Stroomopwaarts kun je dan bij 'The Strid', waar de Wharfe zich over een lange afstand tussen de rotsen doorperst. Verder het dal in kom je de eerste verschijnselen tegen van het kalksteen-gebied, o.a. Kilnsey Crag, een 'scar'.
Dergelijke scars zijn er vele. Vaak zitten er grotten in. Probeer de scar ten oosten van Settle, waarin de Victoria Cave ligt. De bekendste scar is Giggleswick Scar, ten noorden van de A65 bij Settle. Deze rotswand ligt op een belangrijke geologische breuk, de Craven Fault, die de zuidgrens van het kalksteen-gebied markeert. De fantastische Gordale Scar is eigenlijk geen scar, maar een gigantische kloof. De Gordale Beck ging ondergronds, maar de gevormde grot stortte in en de kloof bleef over. Vlakbij ligt het beroemdste punt: Malham Cove. De tijd dat over deze schitterende kalksteen-klif een waterval 73 meter naar beneden kletterde is helaas voorbij. De rivier loopt nu ondergronds. Plaatsen waar waterlopen verdwijnen zijn vaak enorme gaten, 'pot-holes' genaamd. De bekendste is wel de Gaping Gill, ten noorden van Clapham. Een beekje, de Fell Beck, tuimelt hier meer dan 100 meter (!) loodrecht naar beneden in een natuurlijke schacht. Waar het beekje weer tevoorschijn komt zijn aardige druipsteengrotten te bewonderen, in de Ingleborough Cave.
Bovengronds is het landschap vaak grillig en curieus. Ten westen van Horton-in-Ribblesdale bijvoorbeeld liggen uitgestrekte plateau's van kalksteen. Stukken met naakte rots vertonen diepe spleten waarin typische kalkminnende planten gedijen. Heel apart zijn de 'boulders', enorme rotsblokken en zwerfkeien op een voetje van kalksteen.
Bij Ingleton komen bij de Craven Fault oude rotsen uit het pre-Cambrium en het Cambrium aan de oppervlakte. Samen met de limestone zorgen deze steensoorten voor een flinke serie watervallen in een tweetal riviertjes.
Kortom, er is nog genoeg te ontdekken in het 'limestone country', en dan hebben we de toppen nog niet eens gehad. De Three Peaks (Whernside, Ingleborough en Pen-y-ghent) zijn het bekendst en hebben op de top typische kragen van harde kalksteen met daarbovenop een kraag van Millstone Grit. Pen-y-ghent is de laagste, maar de mooiste top.
Tenslotte is er nog de waterval Cautley Spout in de (ten onrechte) nauwelijks bezochte Howgill Fells.
De OS geeft sinds een paar jaar drie Outdoor Leisure Maps uit die een groot deel van de Dales bestrijken. Gidsjes in overvloed.
Uiteraard James
Herriot's Yorkshire en andere streekromans, voor wie er van
houdt.
Edmund Bogg: A thousand miles in
Wharfedale.
Meerdaagse tochten - Dagtochten - Kaarten, gidsen literatuur
Dit gebied is een vergeten hoek van de Pennines. Het zijn een groep heuvels die 'erbij hangen', gescheiden van de overige Pennines door de Craven Fault en het brede dal van de Ribble. De groep wordt ook wel Lancaster Fells genoemd. Pendle Hill, een bekende heuvel aan de andere zijde van het Ribblesdale, hoort officieel ook bij dit Area of Outstanding Natural Beauty. De heuvels gaan tot 500 meter hoogte en hebben alle kenmerken van echte Pennine Moors: venige gronden op een laag van Millstone Grit. De naam 'forest' stamt zoals zo vaak in Engeland uit vervlogen tijden. Alleen bij het Stocks Reservoir ligt een stuk bos.
Gezien de concurrentie van de Yorkshire Dales komt er bijna niemand. De heuvelgroep wordt ook slechts door een paar weggetjes doorsneden. Alleen Pendle Hill wordt vanwege de vrije ligging veel beklommen door de omringende bevolking van het steenkoolgebied van Blackburn en Burnley. Menige inwoner zal de kolossale tafelberg een keer zijn opgegaan om het uitzicht over de steden te bewonderen.
Voor een rustzoeker zijn de Lancaster Fells aan te raden. Je kunt er naar hartelust zwerven door de eenzaamheid. Bij helder weer moeten de toppen trouwens een aardig overzicht geven van de uplands van Noord-Engeland: van het Lake District aan de overzijde van de Morecambe Bay, via de dichtbijgelegen Three Peaks tot aan de platte bulten van de South Pennines.
De Witches Way (48) doet een deel van het gebied aan. De route komt uit het steenkoolgebied van Lancashire, beklimt Pendle Hill en eindigt onderaan de heuvelgroep bij het plaatsje Slaidburn.
De Ribble Way (116) loopt precies tussen het gebied door.
Hiervoor leent het gebied zich het best. De jeugdherberg in Slaidburn zou een goede uitvalsbasis kunnen zijn. En de beklimming van Pendle Hill mag dan wel steil zijn, het uitzicht is zeker de moeite waard.
Behalve de 1:50.000 kaarten is informatie over het gebied moeilijk te vinden.
Literatuur
Er zijn vele verhalen geschreven over Pendle Hill. Een historische roman, gebaseerd op een waar verhaal, is 'Mist over Pendle' van Robert Neill. Een boek over de hekserij in het begin van de 17e eeuw.
4.3.5 South Pennines: Brontë Country
Meerdaagse tochten - Dagtochten - Leuke punten - Kaarten, gidsen en literatuur
De South Pennines zijn een bijzonder interessant gebied, hoewel de aanblik van bepaalde delen op een mistige regendag niet tot ieders verbeelding zal spreken. De uplands van de South Pennines liggen namelijk midden in het hart van het noord-Engelse industriegebied. In het oosten liggen de stedelijke gebieden van Bradford, Leeds en Huddersfield. In het westen heb je Blackburn en Burnley en iets zuidelijker het enorme Greater Manchester. Daar middenin heeft een wandelaar niets te zoeken, zou je denken. Vreemd genoeg is dat niet waar. Dit gebied van de woeste ten heeft een bijzonder karakter. Het was een belangrijk toneel van het begin van de industrile revolutie in de 18e eeuw. En Engeland zou Engeland niet zijn als hiervan niet veel bewaard is gebleven.
De Pennines vormen hier echt een rug, met een zijtak naar het westen ten noorden van Manchester, het Forest of Rossendale. Er is geen kalksteen in deze streken. Vanaf het Airedale tot voorbij Edale, de start van de Pennine Way, ligt deze verborgen onder een flinke laag Millstone Grit. Op de platte hoge heuveltoppen ligt daar meestal een veenlaag overheen. De bovenste steenlagen uit het Carboon zijn op de heuvels weggesleten, maar aan weerszijden van de heuvelrug niet. Dit verklaart de ligging van de grote industriegebieden, aangezien zich in deze afzettingen de steenkool bevindt die de drijvende kracht achter het begin van de industriële revolutie is geweest. Tot die tijd had zich in de steile dalen van de Pennines een kleinschalige textielindustrie ontwikkeld, gebaseerd op de watermolens, de 'mills'. Deze veranderden in fabrieken met (stoom)machines en later, toen de industrie grootschaliger werd, verplaatste zij zich naar de vlakkere gebieden buiten de Pennines, de huidige grote steden.
Het karakter van de oorspronkelijke kleinschalige industrie is in de dalen van de Pennines prachtig bewaard gebleven. Veel dalen zijn volgebouwd met donkergrijze stadjes en de oude 'mills', waartussen vaak op ingenieuze wijze spoorlijnen en kanalen zijn aangelegd. In feite is het gewoon één groot openluchtmuseum. Op een kille mistige dag ruik je nog de rook van steenkoolhaarden en waan je je in het Engeland van 50 jaar geleden. De steile hellingen van de dalen zijn een groen cultuurlandschap met boerderijen, veel stenen muurtjes en af en toe wat bos, vaak loofbos. Klim je hierboven uit, dan kom je op de kale uitgestrekte moors, de 'woeste hoogten' uit het gelijknamige boek van Emily Brontë. Rond de plaats Haworth, waar de gezusters Brontë geleefd hebben, zijn vele plekjes en gebouwen te zien die men associeert met de plaatsen uit de verhalen van de Brontë's. Vandaar dat het deel rondom deze plaats de naam Brontë Country gekregen heeft.
De typische kenmerken van Pennine moors, zoals de 'edges' en 'cloughs' die je vooral in de Dark Peak aantreft (zie 4.3.6), zijn hier in mindere mate ook aanwezig. Het woeste karakter van de moors is in de moderne tijd wel iets veranderd. De moors vormen nu een groot drinkwaterreservoir voor de miljoenen mensen die rondom de heuvels wonen. Het stikt er dan ook van de aangelegde stuwmeren en spaarbekkens. Vele wegen kruisen de Pennines, onder andere de brede Trans Pennine Motorway. Desondanks moet je de moors niet onderschatten. Met slecht weer ben je bovenop geheel overgeleverd aan de elementen. De woeste hoogten uit het Brontë Country zijn dan nog in alle hevigheid aanwezig.
Wandelmogelijkheden zijn er legio. Rondom de dalen ligt een overvloed aan right of ways, ook een overblijfsel uit de industriële bloeiperiode. De vele kanalen zijn allemaal voorzien van jaagpaden en hier en daar ligt een oude spoorlijn te wachten op de liefhebbers van industriële archeologie. Voor hen is het hier echt een paradijs. Maar ook als je niet zo'n freak bent blijft het schitterend om over de paadjes door de weilanden op de dalwanden te sjouwen en de stadjes opgetrokken uit gritstone van bovenaf gade te slaan. Bovenop de moors is het lekker ruig wandelen, vooral als het weer meezit.
Natuurlijk kun je de Pennine Way volgen, maar ik zou wat anders prefereren. De Pennine Way blijft continu hoog, en in deze streken gaat de wijsheid 'hoog en droog' niet op. Wil je wat van de oude industrie in de dalen zien, dan kun je beter kiezen voor bijvoorbeeld de Calderdale Way (81). Dit is een vierdaagse rondtocht rondom het dal van de Calder, die ook goed in dagtochten te lopen is. Een vergelijkbare rondtocht is de Rossendale Way (72), rondom het bovendal van de rivier Irwell (Rossendale Valley). Rondom het benedendal van deze rivier is het Peel Trail (56) uitgezet.
Of je doet de Trans-Pennine Walk (87), een west-oost doorsteek van Adlington door het Forest of Rossendale en Brontë Country naar Haworth. Af en toe dwars over de moors, af en toe door de dalen.
Wandelgidsjes zijn voldoende voorhanden voor het maken van dagtochten. Voor het verkennen van Brontë Country zijn de plaatsjes Haworth of Hebden Bridge mooie uitgangspunten. Makkelijke en interessante wandelingen zijn te maken over de jaagpaden van de diverse oude kanalen, zoals het Rochdale Canal of het Leeds & Liverpool Canal.
Diverse plaatsen uit de Brontë verhalen die rondom Haworth liggen kunnen bezocht worden. Rondom Hebden Bridge liggen enkele fraaie dalen. Het beboste dal waardoor Hebden Water stroomt is van de National Trust. Even ten zuiden van Hebden Bridge steekt een oude Romeinse weg de Pennines over, volgens de Ordnance Survey. De bestrating ervan is op veel plaatsen nog geheel intact, zodat men vermoedt dat deze uit latere tijden stamt. De Penninische rug is hier op zijn smalst en een goed beloopbaar pad (Pennine Way) volgt hier de Blackstone Edge, met uitzichten naar beide kanten.
Van Marsden naar Diggle liggen er drie tunnels door de Pennines. Hiervan is vooral de vijf kilometer lange tunnel waar het Huddersfield New Canal doorheen gaat interessant.
Van de South Pennines bestaat een mooie Outdoor Leisure Map. Ze bestrijkt echter niet helemaal het hier besproken gebied. Gidsjes zijn ter plekke verkrijgbaar.
Literatuur
Uiteraard de verhalen van Emily en Charlotte Brontë, o.a. Wuthering Heights en Jane Eyre.
4.3.6 Peak District NP: Dark Peak en White Peak
Het Peak District valt zichtbaar uiteen in twee delen: de Dark Peak en de White Peak. Een simpel onderscheid in kleur van het gesteente. Het zuidelijk deel van de Pennines is als een koepel omhooggedrukt, de Derbyshire Dome. Door erosie zijn de bovenste lagen uit het Carboon in het centrum weggesleten en ligt de witte kalksteen aan de oppervlakte (de White Peak). Om dit centrum ligt een ring van Millstone Grit die doorloopt naar het noorden (de Dark Peak). Alleen in het zuiden, waar de Pennines ophouden, duiken de Carboonlagen weg onder jongere gesteenten van midden Engeland. Het gebied waar de Millstone Grit aan de oppervlakte ligt heeft hierdoor de vorm van een omgekeerde Y gekregen. De White Peak ligt als het ware gevangen tussen de uitlopers van deze omgekeerde Y.
Is in de Yorkshire Dales het verschil tussen de limestone-gebieden en de gebieden met Millstone Grit al erg groot, hier is de tegenstellling nog frappanter. Het is een verschil van dag en nacht. De Dark Peak heeft inderdaad iets donkers, iets woest; de White Peak is lief en opgewekt. Het verschil in aan de oppervlakte liggende steensoort heeft enorme landschappelijke gevolgen. De Dark Peak is echt 'upland', maar de White Peak zou ik eerder 'lowland' noemen.
Het Peak District is een van de meest toeristische streken van Groot Brittannië. Dat is niet vreemd als je bedenkt dat er rondom het nationaal park een bevolking zo groot als die van Nederland woont. De Peak Park Planning Board heeft dan ook een grote taak om die stromen toeristen in goede banen te leiden. Het grootste deel van de bezoekers zijn dagjesmensen. Als het tijdens een weekend in de zomer prachtig weer is loopt het park letterlijk helemaal vol. Een wandelaar die de rustige streken opzoekt zal er echter relatief weinig last van hebben.
Wel is het Peak District bij mijn weten hierdoor het enige gebied in Engeland waar een kampeerverordening geldt. Bij boerderijen met een vergunning mogen niet meer dan 10 tenten kamperen.
Een andere maatregel die tijdens de topdagen wordt gehanteerd is het afsluiten van wegen voor autoverkeer. Het gebied rond Goyt Valley ten zuiden van Whaley Bridge staat er om bekend.
Meerdaagse tochten - Dagtochten - Leuke punten - Kaarten, gidsen en literatuur
De Dark Peak is eigenlijk gewoon een voortzetting van de South Pennines. De Penninische rug loopt hier alleen wat breder uit en wordt wat hoger, tot ongeveer 600 meter. De steenkoolgebieden aan weerszijden van de moors liggen dus wat verder uit elkaar en hebben hier minder invloed op de ruige heuvels. Net als in de South Pennines liggen er in de dalen vele stuwmeren voor de drinkwatervoorziening.
Typische kenmerken van de Dark Peak zijn de 'edges' en de 'cloughs'. De edges liggen aan de randen van de moors en bestaan uit een kraag van opgestapelde rechthoekige rotsblokken Millstone Grit. De cloughs zijn kloven, steile V-vormig dalen. Waar een aantal beekjes op de platte moors samenkomen zie je zo'n clough ontstaan; plotseling snijdt het riviertje zich diep in.
De moors vormen een ruig wandelgebied. Vooral in het noordelijke deel van het Peak District kun je mijlenver van de bewoonde wereld af raken. Verdwalen in de mist is een groot gevaar, en zeker niet ondenkbaar op de platte moors, waarvan de tafelberg Kinder Scout wel de beruchtste is. Zelfs op klaarlichte dag kun je hier verdwalen. En dan heb ik het nog niet over het veen gehad. De Dark Peak is namelijk het ergste veengebied van Groot Brittannië. Gemiddeld ligt er al gauw drie meter veen. Op sommige plaatsen ligt het zwarte natte onbegroeide veen te wachten op een argeloze wandelaar.
De twee zuidelijke uitlopers van de gritstone moors zijn lager en minder venig dan de Dark Peak zelf. De oostelijke uitloper bij Sheffield bestaat uit een prachtige opeenvolging van edges en glooiende heidevelden. Deze edges zijn erg in trek bij klimmers. De westelijke uitloper van de Dark Peak, tusen Buxton en Macclesfield is veel grilliger. Een rug met allerlei bulten en dalen, oplopend tot Shining Tor en Axe Edge.
De meeste moors in de Dark Peak zijn zogenaamd 'acces land': privé-terrein dat vrij toegankelijk is op grond van afspraken met de eigenaars. Deze afspraken zijn niet zomaar ontstaan, maar het gevolg van jarenlange strijd van wandelaars uit de omliggende steden tegenover de grootgrondbezitters die geen andere mensen op hun privé-jachtgebied duldden. In die tijd (± 1930) liepen er namelijk geen right of ways door de moors.
In de Dark Peak liggen ook een aantal kortere lange-afstandsroutes dan de Pennine Way. De Cal-der-went Walk (48) verbindt de rivieren Calder en Derwent met elkaar. Daarbij gaat de route één keer hoog over de moors. Een zware tocht is de Ramblers Way (61), hoog over de moors, die allerlei plekjes aandoet waar in de jaren '30 de eerste 'ramblers' letterlijk gevochten hebben voor toegang tot de open heuvels.
De Derbyshire Gritstone Way (90) kun je zien als een aanloop naar de Pennine Way vanaf Derby. De route volgt de uitlopers van de moors ten oosten van de White Peak.
Mogelijkheden om zelf met een kaart over de moors te zwerven zijn er genoeg. Kompaskunst is een vereiste.
Er zijn nogal wat tochten die de landschappen van de Dark Peak verbinden met de White Peak. Ik heb ze bij de White Peak gezet.
In de Dark Peak zelf liggen geen stadjes, dus zul je iets aan de rand moeten zoeken. Hayfield lijkt me een goede plaats om een wandeling naar de Kinder Downfall te maken. Vanuit Hathersage, in Hope Valley, kun je een schitterende tocht maken over de lange edges ten westen van Sheffield.
In het zuid-westen kun je de uitlopers van de Dark Peak volgen over het Gritstone Trail. Voor superwandelaars zijn de 30 kilometers over de hoge zandsteen-heuvels misschien in één dag te doen.
Watervallen zijn in vele cloughs te zien. De meest bekende is wel de Kinder Downfall, een beek die over de rand van de tafelberg Kinder Scout valt in een decor van een onwaarschijnlijke zooi rotsblokken.
Een bezoek aan Padley Gorge, een beboste kloof bij Hathersage, is goed te combineren met een wandeling over en langs de prachtige edges ten noorden van de kloof.
Een natuurlijke formatie van stenen zijn de Wain Stones aan de Pennine Way op Bleaklow. Vanuit een bepaalde hoek bekeken vormen deze twee rotsblokken "The Kiss", het silhouet van twee kussende hoofden.
Op de grens tussen de Dark en White Peak liggen een paar prachtige uitzichtheuvels. Van west naar oost tref je Lord's Seat, Mam Tor, Lose Hill en Win Hill. Stuk voor stuk toppen met rondom vrij uitzicht.
In de westelijke uitloper zijn The Roaches wel het meest bekend onder wandelaars. Een prachtige smalle heuvelrug met de rotsblokken van een edge bovenop de richel. Iets noordelijke ligt de grot Lud's Church. Eenzelfde richel maar dan wat lager, is de Kerridge Hill bij Bollington. De Shining Tor is een goed uitzichtspunt. Ten zuiden van Axe Edge ligt bovenop de heuvels Engeland's hoogste dorp: Flash.
Er liggen twee bekende stone circles in de oostelijke uitloper: die op Eyam Moor en de Nine Ladies op Stanton Moor. Rondom de plaats Matlock is veel te zien. De plaats ligt op de overgang tussen limestone en Millstone Grit en de rivier Wye snijdt ten zuiden van de stad nog net even door een stukje limestone. Het levert twee kliffen op: de Heights of Abraham en de High Tor. De eerste heeft enkele grotten.
Van de Dark Peak bestaat een Outdoor Leisure Map. Voor de twee zuidelijke uitlopers van de moors heb je ook nog de OLM White Peak nodig. Gidsjes in overvloed.
Meerdaagse tochten - Dagtochten - Leuke punten - Kaarten, gidsen en literatuur
De White Peak is mijn grote favoriet. Hier heb je een stuk land waar een perfecte combinatie te vinden is tussen een stuk natuur en datgene wat de mens er van gebrouwen heeft. Om dat te voet te verkennen is een heerlijke bezigheid en absoluut niet moeilijk. De White Peak wandelt als ware het lowland. Alleen de rotsige ondergrond in de dalen vereist enige voorzichtigheid.
In de White Peak zijn de heuvels het cultuurland. Een nogal kaal golvend plateau van weilanden, waarvan je aan het groen van het gras kan zien dat er kalksteen in de ondergrond zit. Zo niet, dan zag je het wel aan de eindeloze muurtjes van witte kalksteen. Zo ver het oog reikt worden de golvende weiden omheind door witte muurtjes, een uniek gezicht. Vele stiles geven toegang tot de oude rights of way door de weilanden. Af en toe lopen er prachtige lanen over het plateau, vergezeld van twee witte muren in de berm. Prikkeldraad is op veel plaatsen uit den boze. Hier en daar doorbreekt een meidoornstruik de leegte en staat er een groepje bomen op een heuveltop. De veeboeren wonen bij elkaar in een dorp op de heuvels. Prachtige dorpjes, de huizen ook al opgetrokken uit kalksteen. Een pub of een inn is onvermijdelijk aanwezig.
In de dalen merk je dat het landschap hier echt op z'n kop gezet is. Zijn de heuvels netjes bebouwd, de dalen zijn veelal leeg en soms zelfs te grillig om dienst te doen als weiland. Dan tref je er beboste hellingen, rotswanden en soms een heuse rivier. Zulke dalen hebben een wilde schoonheid. De afwezigheid van verharde wegen in de dalen maakt ze tot een waar wandelparadijs. En samen met de platte heuvels er omheen is het een prachtig afwisselend wandelgebied.
De dalen zijn allemaal ontstaan door waterlopen. Soms door insnijding in de kalkrots, soms door het instorten van ondergrondse waterlopen. Het water in dit gebied zoekt zich een weg door de kalksteen en maakt aldus vele grotten. In de dalwanden van menig dal kun je nog vele van deze grotten zien, restanten van voormalige ondergrondse rivieren. Omdat het water zich veelal ondergronds verplaatst, staan veel van de dalen droog. Hooguit na een periode met veel regen kan het voorkomen dat er tijdelijk een beek door zo'n dal stroomt.
De vochtige omgeving en het kalkrijke milieu geven voedsel aan een weelderige plantengroei. Voor zover de dalwanden niet uit steile kliffen bestaan zijn ze vaak begroeid met loofbos en kalkminnende planten. Orchideeën komen in de stillere dalen vrij veel voor. De bredere droge dalen zijn meestal in gebruik als weiland en hebben wat struikgewas op de hellingen. In menige rivier zie je af en toe een vogel spetteren, een 'dipper' (waterspreeuw). Wie er naar gaat zoeken zal in de rustigere dalen het felle blauw van de ijsvogel kunnen bewonderen.
Het kalksteen-gebied heeft een lange industriële geschiedenis. De aanwezige waterkracht bracht er katoenindustrie, waarvan de oude 'mills' in Miller's Dale nog getuigen. Ook in Dovedale zijn sporen van oude watermolens te vinden.
Mijnbouw vond ook vrij veel plaats. Op enkele plaatsen waren er kleinschalige loodmijnen, zoals Magpie Mine bij het dorpje Sheldon. Hier staan de best bewaard gebleven gebouwen, smeltovens en schoorstenen. In Lathkill Dale tref je nog de overblijfselen van een pomphuis en een aquaduct.
Tegenwoordig wordt de kalksteen op grote schaal gewonnen, in de omgeving van Buxton. De grenzen van het nationaal park zijn heel wijs om deze landschap-ontsierende groeves heen gelegd.
Het stikt van de routes in de White Peak, vooral omdat dit het oefenterrein van de ultra-lange-afstandswandelaar John Merrill is. Zijn productie van wandelgidsjes is enorm. De enige lange afstandsroute die zich beperkt tot de echte White Peak is zijn Limey Way (64). Een prachtige tocht die in Castleton start en door twintig dalen voert tot aan de zuidrand van de White Peak in Thorpe. In mijn ogen een perfecte driedaagse tocht.
Andere routes van Merrill zijn onder andere de Peakland Way (154), Peakland Heritage Walk, Peak District High Level Route (145) en de Rivers Way (64). Allemaal combineren ze delen van de Dark Peak met de White Peak.
Ook de White Peak Way (129) doet zijn naam enigzins geweld aan want deze route gaat behalve door de White Peak ook over de edges in het oosten die zeker niet 'wit' zijn. Het is een rondtocht langs jeugdherbergen en begint en eindigt in Bakewell.
Maar wat John Merrill doet, kan eigenlijk iedereen: op een kaart een eigen route bedenken met behulp van de vele rights of way.
Een drietal oude spoorlijnen in het gebied zijn omgebouwd tot wandelroute: het High Peak Trail, Tissington Trail en Monsal Trail. Vanwege het vlakke talud zijn het eenvoudige wandelingen die een aardige indruk van het landschap geven. Monsal Trail is de mooiste, alleen verlaat de route af en toe het spoor in verband met afgesloten tunnels.
De mogelijkheden voor dagtochten zijn ontelbaar. De beroemdste dagtocht, van Milldale naar Thorpe door het Dovedale, is in het hoogseizoen en in de weekenden af te raden voor hen die niet van een polonaise houden. Maar het blijft een schitterende tocht.
In principe zijn alle dalen schitterend; elk dal heeft steeds weer een eigen karakter. Naast Dovedale zijn Manifold Valley, Lathkill Dale en de dalen van de rivier Wye (Chee Dale, Miller's Dale, Water Cum Jolly en Monsal Dale) de toppers en dus ook het drukst bezocht. Vele kleinere dalen doen echt niet voor de toppers onder en worden veel minder bezocht.
Castleton ligt op de overgang van limestone naar gritstone. Ten westen van het dorp is dit de aanleiding voor het onverwacht woeste landschap bij de Winnat's Pass. Het dorp is zeer toeristisch vanwege de (druipsteen)grotten. In de Blue John Cavern wordt de diepblauwe siersteen 'Blue John' gedolven. Cave Dale met hoog op de rotsen Peveril Castle vormt een prachtige entree naar het achterliggende kalksteengebied.
'Well Dressing'. In een aantal dorpen is het nog steeds een gebruik dat de bevolking in mei of juni de plaatselijke bron 'aankleedt' met een schitterend stuk bloemsierkunst, meestal een bijbelse afbeelding. Het beroemdst zijn de zes bronnen van Tissington op hemelvaartsdag.
Interessant is het prehistorische Arbor Low, waarvan de stenen weliswaar allemaal gevallen zijn, maar de structuur van de stenen cirkel en ringwal nog goed intact is. Naast deze 'henge' ligt een grafheuvel.
Met één kaart ben je er: de dubbelzijdig bedrukte Outdoor Leisure Map van de White Peak (sluit aan op de OLM Dark Peak). Over deze wandeltuin van miljoenen mensen zijn uiteraard vele wandelgidsje geschreven.
Literatuurtips
'Peveril of the Peak' door Sir Walter Scott is een verhaal dat zich afspeelt rond Peveril Castle in Castleton.
4.4 Cheviot Hills (Northumberland NP)
Meerdaagse tochten - Dagtochten - Leuke punten - Kaarten, gidsen en literatuur
Bijna niemand kent ze, deze ronder dan ronde heuvels. Behalve de Pennine Way wandelaars dan. Die houden er meestal trauma's aan over, omdat hun laatste vreselijke dagmars over de meest zware stukken gaat. In mijn ogen is dat gewoon afzien, eindeloos over de platte toppen van deze heuvels ploeteren. Elke stap wordt tegengewerkt door het zuigende veen. En dat terwijl er zo'n prachtige alternatieven voorhanden zijn in dit gebied. Zeker voor degenen die er van houden een heel gebied voor zichzelf te hebben.
De berg Cheviot zelf is een oude vulkaan, die aktief was in het begin van het Devoon. Op de berg komen dan ook rose granieten aan de oppervlakte, dat wil zeggen, onder de enorme veenlaag. Alle latere gesteenten zijn er afgesleten. Dat is wel het kenmerk van de Cheviots: afgesleten. Rondom de berg liggen nog wel lagen uit het Carboon over de vulkanische gesteenten heen. Maar net zo ondoordringbaar, dus ook voorzien van een dik veentapijt. Hier bovenuit stekende rotsen en rotsblokken zijn een grote zeldzaamheid. De bergen zijn hierdoor bepaald niet spectaculair, de Cheviot heeft alleen een weids uitzicht, als hoogste berg in de wijde omtrek.
De dalen zijn echter zeer charmant. Leg een aantal voetballen tegen elkaar aan, en je hebt hetzelfde effect. Kijk je over de ballen heen, niets bijzonders; kijk je tussen de ballen, zie je steile V-dalletjes. In de Cheviots hebben de rivieren zich een aardig eind ingesneden. Alle dalen lopen dood op de Cheviot of de heuvelrug op de Schotse grens. De meeste hebben dan ook een verhard weggetje dat langzaam wegsterft bij de laatste boerderijen in het dal. Er is maar één weg die het gebied doorsnijdt, de A68 door het Redesdale naar Carter Bar, de pas op de grens. Ten westen hiervan liggen de hogere heuvels, aan de oostkant ligt een minder geaccidenteerd gebied. De Forestry Commission zwaait hier de scepter. In de jaren 30 zijn enorme naaldbossen aangeplant, Wark Forest, Kielder Forest en aan de Schotse kant Wauchope Forest. Ze vormen wellicht het grootste bosgebied van Groot Brittannië. Het merendeel ervan valt buiten het Northumberland National Park. Een paar jaar geleden had ik nog eens het idee om de voormalige spoorlijn in het dal van de North Tyne dwars door het Kielder Forest te volgen. Maar het oude talud ligt inmiddels op de bodem van het enorme Kielder Reservoir, een recentelijk aangelegd stuwmeer.
In een halve cirkel ten oosten van de berg Cheviot liggen wat lagere heuvels, waarvan de steile zijden naar de Cheviot gericht zijn. Ze bestaan uit een zandsteensoort uit het Carboon (Fell Sandstone). Opvallend is het grote aantal overblijfselen van forten op deze heuvels. Naar het zuiden toe, in de omgeving van Rothbury, neemt de hoogte van deze heuvelrug toe en zijn de heuvels gedeeltelijk bebost. Deze Simonside Hills kun je wel weer tot de uplands rekenen.
Het hele gebied is erg dunbevolkt. De spaarzame dorpjes liggen vrijwel allemaal in de dalen aan de voet van de heuvels. Maar het zijn prachtige dorpen. Klein, zonder poespas, en toeristisch gezien amper ontwikkeld. Er komen hier slechts wandelaars uit het stedelijk gebied van Newcastle-upon-Tyne en die zullen het niet aan de grote klok hangen dat het hier erg mooi is.
Behalve de Pennine Way lopen er geen uitgezette routes door dit gebied. Je zult dus zelf een route moeten bedenken. Een idee is om de oude romeinse weg 'Dere Street' te volgen die vanuit Redesdale dwars door de heuvels steekt naar Jedburgh, in Teviotdale aan de Schotse kant. Op het hoogste gedeelte kom je langs een aantal plaatsen waar Romeinse kampementen hebben gelegen, en loop je een stukje samen met de Pennine Way. Een andere oversteek is de oude 'Clennel Street' van Coquetdale naar Kelso.
Maar het is eigenlijk leuker om in de lagere regionen van de heuvels te blijven, rondom de fraaie dalen. Daarmee omzeil je ook het probleem van accomodatie. In de hogere delen is het bijna ondoenlijk om meerdaagse tochten te maken als je niet je eigen huis op je rug meesjouwt.
Het ligt meer voor de hand om in het gebied dagtochten te maken. Met een basis in een van de omliggende dorpen moet het goed mogelijk zijn het gebied te voet te verkennen. Voor wie van uitgestrekte naaldwouden houdt bieden de genoemde bossen uitkomst. Het dorpje Kielder, aan het begin van het reservoir, is een toeristisch centrum aan het worden. De Forestry Commission heeft uiteraard routes in het bos uitgezet.
Anderzijds is Rothbury, in Coquetdale, een goed uitgangspunt. De rivier Coquet wringt zich hier door de Simonside Hills. Deze heuvels en ook het dal van de Coquet dat diep in de Cheviots dringt, zijn prima wandelgebieden.
Het landschap en de dorpjes in Coquetdale: Alwinton, Harbottle, en Holystone, zijn bijzonder fraai en rustig. Bij het typische dorpje Bellingham ligt aan het eind van een prachtige beboste kloof de waterval Hareshaw Linn.
Naast de 1:50.000 bladen zijn er geen speciale kaarten. Enkele gidsjes met dagtochten zijn ter plekke wel verkrijgbaar.
Literatuurtips
'A breath of Border air', door Lavinia Derwent.
Meerdaagse tochten - Dagtochten - Leuke punten - Kaarten, gidsen en literatuur
De North York Moors zijn een zeer geliefd wandelgebied. In vele opzichten lijkt het wel wat op de Exmoor. Platte heuvels van zo'n 400 meter hoogte, iets aflopend naar een kust met steile kliffen. In september zijn ze paars, die heuvels, één groot heideveld op niveau. Als je het beste seizoen wilt nemen, kies dan voor de nazomer. De kans op regen is dan ook minimaal. Misschien zijn deze moors daarom wel zo geliefd: van alle uplands zijn ze zonder meer het droogst. In regentijd veranderen de North York Moors snel in onherbergzaam gebied en realiseer je je dat het toch wel uplands zijn.
Behalve vanwege de betrekkelijke droogte zijn de moors ook het buitenbeentje onder de uplands door de relatief jonge gesteenten. Niks geen Carboon of Devoon hier, maar rotsen uit het Jura-tijdperk. En de Jura mag dan bekend staan om de kalkrijke oöliet-rots, hier zijn de kalksteenlagen nogal dun. Ze komen slechts voor in het zuiden van het nationaal park, onder andere op de Hambleton Hills. Onmiskenbaar, want op de westelijke steilrand van deze heuvels is de White Horse in de kalk gehouwen. Zelfs vanuit de auto op de A1 op 15 km afstand kun je het 'witte paard' prachtig zien liggen.
Diverse steenlagen uit het Jura, een gevarieerd pakket van kleisteen, zandsteen en kalksteen, zijn aanwezig in het nationaal park. De afwisseling van harde en zachte lagen is typerend voor het Jura en is de oorzaak van vele landschappelijke kenmerken. Zoals de westelijke en noordelijke steilranden van de North York Moors, waar de harde bovenste steenlaag (veelal zandsteen) moeilijker verweert dan de onderliggende kleilagen. Enkele hardere kleilagen zorgen voor een terrasstruktuur onderaan de steilrand. Bij Roseberry Topping, een karakteritieke heuveltop in het noorden, is deze struktuur prachtig waar te nemen. De baai van Robin Hoods Bay is ook een resultaat van de afwisseling van hardere en zachtere lagen. Hier bestaan de kliffen uit zachtere kleisteenlagen, waarin door de zee gemakkelijk een baai weggeslagen kon worden.
In het zuiden zorgt de afwisseling van steenlagen voor een opmerkelijk landschap van platte tafel-heuvels, een soort terrassen. Dit wordt veroorzaakt doordat de hier aanwezige kalksteensoort het water gemakkelijk doorlaat en zo voorkomt dat het oppervlaktewater zijn eroderende werk kan doen. De steile randen worden niet door het water bedreigd en onderaan deze randen zie je veel bronnen ontspringen op de grens van de kalksteenlaag en een minder doorlatende steensoort. Vooral in de omgeving van Saltergate en Hackness is dit type landschap goed waar te nemen.
Centraal in het nationaal park liggen de hoogste moors, grofweg langs een oost-west as tussen Goathland en Osmotherly. De dalen lopen vanaf deze as naar het noorden of zuiden. De noordelijke riviertjes worden opgevangen door de Esk die bij Whitby in zee stroomt. De zuidelijke dalen lopen allemaal uit in de Vale of Pickering. Opvallend is dat er geen dal is dat dwars door de moors loopt, alle dalen lopen dood. Alleen Bilsdale heeft als enige bijna een dalroute door de moors gecreerd: aan het eind van het dal gaat de B-weg een lage pas over en ben je de North York Moors weer uit. De meeste doorgaande wegen gaan echter over de moors.
Er is één dal dat echter afwijkt van het patroon: Newton Dale. Door het dal loopt geen weg en ook geen rivier met een formaat dat de aanwezigheid van zo'n diep dal zou rechtvaardigen. Er loopt een spoorlijn doorheen die na sluiting in 1965 enkele jaren geleden weer door de North York Moors Historical Railway Trust geopend is. Het dal is een 'overloop-dal' uit de ijstijden. In de periode dat het ijs de moors omringde ontstond in het huidige Eskdale en haar zijdalen een groot meer, omdat het ijs de doorgang naar het oosten afsloot. Het water in dit meer steeg totdat het ten zuiden van Goathland op het laagste punt begon over te lopen. De grote hoeveelheid water zocht zich een weg naar het zuiden naar de Vale of Pickering, waar toendertijd ook een enorm meer lag. In snel tempo ontstond aldus een smal en diep dal tussen Goathland en Pickering. Na de terugtrekking van het ijs hervatte het water in Eskdale weer haar oude koers en liet het overloop-dal achter met een miezerig stroompje. Op de vlakke bodem van het dal ontstond na verloop van tijd een veengebied op de nieuwe waterscheiding. Het steile dal is nu een opmerkelijk punt in het omringende landschap van platte moors.
Het lopen over de moors varieert van schitterend mooi tot gewoon saai. Bovenop de heuvels kun je vergeten dat je over heuvels loopt. Sommige stukken zijn eindeloos vlak, zo vlak dat het na nat weer een flinke smeerboel kan worden. Bepaalde stukken zijn er berucht om. Daartegenover staan enkele fenomenale 'causeways'. Stap voor stap voeren deze stenen paden je tussen de hei en het veen door. George Cap Causeway, van Rosedale naar Great Fryup Dale, is er een fraai voorbeeld van.
Zoek je echter de randen van de moors op dan tref je niet alleen een betere afwatering, maar ook de fantastische uitzichten over de dalen. Niet voor niets loopt de Cleveland Way over de randen van het nationaal park.
Met name in het zuid-oosten, waar de moors een stuk lager zijn en de kalksteen aan de oppervlakte ligt, zijn enorme naaldbossen aangeplant. Toch wordt het terrassenlandschap er niet door overheerst en worden de bossen onderbroken door landerijen en weilanden in de dalen. Bebossing tref je ook aan in de lagere regionen van de overige dalen, vooral aan de zuidrand van het park. De bovendalen zijn daarentegen echte lieflijke upland-valleien met verspreide boerderijen en prachtige paden door de weilanden. Op de dalwanden zie je soms wat kleine rotskragen.
Naast de bosbouw en de agrarische funktie worden de moors nauwelijks voor andere zaken gebruikt. Vroeger vond er nog op grote schaal mijnbouw plaats in en om het dalhoofd van Rosedale. Er werd ijzererts gewonnen die leidde tot de staalindustrie van Middlesborough en Teesside. Het talud van een oude spoorlijn die dwars over de moors ging is er nog een mooi overblijfsel van. Bovenop Fylingdales Moor, ten zuid-westen van Goathland, ligt een terrein van het Britse leger. Het valt van heinde en ver op door de 'drie enorme golfballen': het Fylingdales Early Warning Station.
Dorpjes in de moors zijn zeldzaam. In de dalen ligt af en toe een klein dorpje, behalve het Eskdale waar een hele trits dorpjes aan de spoorlijn liggen. Goathland is een uitzondering en ligt relatief hoog in de moors. De grotere plaatsen liggen aan de rand van het gebied, zoals de hele rij tussen Helmsley en Scarborough, gelegen op de overgang van de North York Moors naar de Vale of Pickering.
Opmerkelijk zijn het aantal kruisen en stenen bovenop de moors. De meeste stammen uit de middeleeuwen en waren tegelijkertijd een vorm van herdenking en wegmarkering. Elk jaar wordt een prestatiewandeltocht georganiseerd langs 14 van deze oude kruisen, de Crosses Walk. Préhistorische overblijfselen zijn er in overvloed, met name de 'Howes', de grafheuvels.
Hèt lange-afstandspad van de North York Moors, de Cleveland Way (150), volgt de rand van het nationaal park van Helmsley met een enorme boog naar Filey. De eerste helft van de route volg je dan de steilranden in het westen en noorden, en vanaf Saltburn is de Cleveland Way een kustpad tot Filey. Met de zogenaamde Missing Link (80) kun je het rondje North York Moors completeren: bij Scarborough verlaat je de kust en steek je door de zuidelijke moors terug naar Helmsley. Na dit rondje heb je vrij veel van de moors gezien.
De Coast to Coast Walk volgt vanaf Ingleby Arncliffe de Cleveland Way tot Greenhow Moor en steekt dan door via een lagere route naar de kust bij Robin Hood's Bay.
Helemaal hoog over gaat de Lyke Wake Walk (64), die tot aan Glaisdale Moor oploopt met de Coast to Coast Walk, maar dan de hoogste delen van de moors volgt naar Ravenscar aan de kust. Deze rechte oost-west oversteek van de North York Moors is eigenlijk een populaire 'challenge walk', met de bedoeling om de 64 kilometer in 24 uur af te leggen. De route is berucht vanwege de natte venen die je tegen komt.
Tenslotte de Eskdale Way (132), een rondtocht in de noordelijke helft van de moors. Afwisselend gaat deze route over de moors en door het dal van de Esk en haar zijdalen. Het begin en eindpunt ligt in Whitby.
Met gebruik van de trein zijn prachtige dagtochten te maken in het Esk-dal en tussen Grosmont en Pickering. Bijvoorbeeld van Grosmont naar Goathland met de stoomtrein (in de zomermaanden) en terug over de voormalige spoortraject, het Historical Rail Trail. Of langs de nog onbedorven dorpjes in Eskdale over de uitgezette Eskdale Walks.
Bij Ravenscar aan de kust ligt een uitgezet geologisch pad en in de bossen in het zuid-oosten zijn diverse uitgezette wandelingen.
Met een kaart en onderstaande gegevens over bezienswaardige plekjes wordt het aantal mogelijkheden al gauw eindeloos. Probeer de omgeving van de Saltergate Inn aan de A169 eens. En anders zijn er ook altijd nog vele wandelgidsjes van het gebied te koop.
Laten we beginnen met de uitzichten. Zoals gezegd geven alle randen van de moors leuk uitzicht, maar typische uitzichtheuvels met rondom vrij zicht zijn Roseberry Topping in het noorden en Blakey Topping in het zuiden. Het omgekeerde landschap is het Hole of Horcum, een uniek keteldal bij Saltergate. In deze buurt liggen nog twee wonderen: het 'overloop-dal' Newton Dale met daarin het natuurreservaat Fen Bogs, en de Bride Stones. Waarschijnlijk zijn deze rotsen de meest vreemde verschijning op de platte moors. Ze lijken op grote versteende champignons, ontstaan doordat een keiharde zandsteenlaag lang weerstand heeft geboden aan de erosie. De iets zachtere onderlaag is meer aangevreten en geeft de rotsen het uiterlijk van een paddestoel.
De omgeving van Goathland biedt behalve een drietal watervallen (Mallyan Spout, Nelly Ayre Foss en Thomason Foss) veel schoons. De romeinse weg langs Wheeldale Beck is nog verrassend intact over een afstand van anderhalve kilometer. Beck Hole is een prachtig gehucht met een van de kleinste pubs van het land.
Aan de overzijde van Sleights Moor ligt het gehuchtje Littlebeck. In het beboste dal van de gelijknamige beek liggen nog 'the Hermitage' en de waterval Falling Foss.
De White Horse vind je bij het dorpje Kilburn in het zuid-westen. Er bestaat zelfs een speciale wandeling, de White Horse Walk. Iets noordelijker ligt het enige natuurlijke meer, Gormire Lake, aan de voet van de steilrand. Er is een natuurpad uitgezet.
De drie kloosterruïnes in het westen (Rievaulx Abbey, Byland Abbey en Mount Grace Priory) zijn landschappelijk fraai gelegen en nodigen uit tot een wandeling in de omgeving.
Langs de kust zijn vooral de plaatsjes in trek. Scarborough is een soort Scheveningen en dus beter te mijden. Whitby is een stuk oorspronkelijker gebleven, met een mooie natuurlijke vissershaven, abdijruïne en het Dracula Trail. Robin Hood's Bay, Runswick en Staithes zijn dé plaatsjes om via het kustpad te benaderen. Prachtige dorpjes die doodlopen in een haventje, maar helaas stampvol op een mooie zomerdag.
Met de aanschaf van twee dubbelzijdig bedrukte Outdoor Leisure Maps heb je de hele North York Moors. Een Tourist Map of drie 1:50.000 bladen zijn het alternatief. Wandelgidsjes zijn in ruime mate voorhanden.
4.6 De Moors van Zuid-West Engeland
Meerdaagse tochten - Dartmoor - Bodmin Moor - Exmoor
Op het zuid-westelijk schiereiland, zoals de counties Cornwall, Devon en Somerset wel worden genoemd, liggen een drietal gebieden die je upland zou kunnen noemen. De Dartmoor is het zeker, de Exmoor minder en Bodmin Moor is een randgeval. Maar het zijn echte moors. Ze zijn kaal, steken duidelijk boven de omringende gebieden uit, zijn moerassig en venig en daarom niet gecultiveerd. Ze missen een duidelijke weidenstructuur op de hogere delen. De wilde ponies op Exmoor en Dartmoor lopen dus vrij rond.
De drie moors hebben een soort plateau-landschap waaruit een aantal toppen oprijzen. Kun je over de plateaus eindeloos zwerven, de randen van de moors zijn vaak landschappelijk het fraaist. Daar waar de rivieren van het plateau afstromen en steile dalen insnijden, ligt de overgang van de ruige moors naar het omringende lager gelegen cultuurland met zijn bomen en prachtige hagen. En de steile dalen zijn meestal prachtig bebost met origineel loofbos.
Als je de film 'Jamaica Inn' hebt gezien, kun je je wel iets van het mysterieuze landschap van deze moors voorstellen. Vooral Dartmoor en Bodmin Moor staan bekend om hun 'tors', bovenop een heuvel gestapelde rotsblokken, die bij mistig weer de aanblik van een vervallen gebouw geven. En mist is de specialiteit van vooral Dartmoor. Met een gemiddelde van 83 dagen mist per jaar spant het de kroon in Engeland. Het zijn de dagen waarop je je kunt voorstellen dat het spookt. Mede door de Keltische cultuur is de verzameling lugubere verhalen in dit gebied groot.
De moors hebben een rijke historie. Tekenen van bewoning sinds préhistorische tijden zijn overvloedig aanwezig. Uit de tijd dat de moors nog geheel bebost waren stammen de ontelbare sporen van grafheuvels, stenen cirkels, rijen stenen, grensmuren enzovoort.
De Two Moors Way (166) start in Ivybridge in het zuiden van Dartmoor en gaat dwars over Dartmoor, af en toe over paden, dan weer door het vrije veld. De route is hier niet bewegwijzerd dus zeker met het oog op de mist zijn kaart en kompas onontbeerlijk. Aansluitend komt het bewegwijzerde deel tussen de twee moors in, door het fraaie boeren-landschap van Devon naar de Exmoor. Dan klim je over de heuvels van Exmoor om te eindigen bij het schitterende gelegen Lynmouth aan de kust.
Meerdaagse tochten - Dagtochten - Leuke punten - Kaarten, gidsen en literatuur
De Dartmoor is de grootste en woestste van de drie. Op een basis van graniet, een enorme gestolde ingedrongen massa, vormt het een uitgestrekt onherbergzaam gebied van met heide begroeide heuvels en diepe moerassen in de laagtes. Die moerassen zijn niet mis. Er zijn stukken waar de heuvels een kilometer lang perfect vlak zijn. De afwezigheid van hoogtelijnen op de kaart is dan een waarschuwing. Het water kan absoluut niet weg en er hebben zich enorme moerassen gevormd. Interessant is een zogenaamde 'peat pass', een plaats waar twee muren mensen en vee veilig door een veengebied kunnen loodsen. Hiervan bevinden er zich nog enkele op de moors.
De 'tors' zijn kenmerkend voor Dartmoor. Het uiterlijk van de 'tors' lijkt veel op de 'edges' die je in de Pennines aantreft. Daar is het echter de zandsteen Millstone Grit, hier is het graniet. Deze keiharde steensoort verweert minder snel dan omliggende gesteenten, zodat ze er bovenuit steekt. Bij verwering valt het graniet uiteen in rechthoekige rotsblokken, die lang netjes opgestapeld blijven liggen (de 'tors') totdat ze een keer omvallen. De hardheid van het graniet verklaart ook de hogere ligging van Dartmoor.
In het verleden hebben er vele mijnbouw-activiteiten plaatsgevonden op Dartmoor. Sporen van tinmijnen zijn er vele. De mijnwerkers hadden zelfs een soort parlement (Stannary Parliament) die bij elkaar kwamen op Crockery Tor. Uiteraard is er ook veel graniet gewonnen voor de bouw. Bij Princetown, het enige dorpje op de moors, liggen een aantal oude groeves en ook de voormalige spoorlijn stamt uit deze tijd. Je vindt er ook oude klei-groeves; klei voor porselein wordt nog steeds op grote schaal gewonnen in het zuid-westen van het nationaal park.
Een nadeel van Dartmoor is dat het Britse leger vrijwel het gehele noord-westelijke deel ingepikt heeft. Dit onherbergzame moerasgebied is een perfect oefenterrein, vindt men. Op gezette tijden worden er schietoefeningen gehouden. Informeer hiernaar bij een plaatselijk postkantoor wanneer je van plan bent hier een tocht te gaan maken. Op de kaart zijn de betreffende gebieden aangegeven met 'Danger area'. Vaak zijn ook waarschuwingsborden geplaatst.
Maar naast de prachtige moors dragen de dalen (de 'cleaves') aan de randen van Dartmoor minstens net zo veel bij aan de schoonheid van het nationaal park. Met name in het oostelijk deel van het park zijn de dalen het lieflijke gezicht van Dartmoor, zoals de dalen van de Teign, de Bovey, de Webburn en de Dart. Hier liggen ook de eerste boerderijen en dorpjes, zoals het schitterende Buckland-in-the-Moor en Widecombe-in-the-Moor.
Wandelen in de dalen levert geen enkel probleem op. De moors moeten daarentegen niet onderschat worden. Het gebrek aan reliëf en snel opkomende mist maken de kans op verdwalen erg groot. De mist ontlopen kan nauwelijks. In het geval dat je tegen beter weten in zonder kompas in zo'n situatie geraakt, zijn de riviertjes je enige houvast. In noodgevallen kun je door het stroomafwaarts volgen van een beek de moors uitkomen. Maar laat het niet zover komen.
Naast de Two Moors Way bestaat er geen beschreven lange-afstandspad in Dartmoor. Interessant is de Abbot's Way, een oude pelgrimsroute van Buckfast Abbey dwars over de moors naar onder andere Buckland Abbey. Misschien ook naar het kerkhof van Lydford, waar ook een andere historische route eindigt, de Lych Way, waarlangs de doden vanaf het dorpje Bellever over de moors gedragen werden.
De mogelijkheden voor het maken van dagtochten zijn enorm. Het stikt in Dartmoor van de interessante plekjes die als doel van je dagtocht kunnen dienen.
De moors liggen bezaaid met historische overblijfselen. Voor de wandelaar het meest nuttig zijn de al genoemde 'peat passes' en de zogenaamde 'clapper bridges', van grote platte stenen gebouwde bruggen. Wellicht het mooiste exemplaar is Fingle Bridge bij Drewsteignton.
Nederzettingen. Omdat het graniet zo moeilijk verweert zijn van de vele préhistorische nederzettingen die uit deze steensoort zijn opgetrokken nog altijd de omtrekken te zien. Mooie voorbeelden zijn Grimspound, Foales Arishes Settlement, Legis Tor Pound en Drizzlecombe Pound.
Behalve de Spinsters' Rock, een grappig hunebed bij Drewsteignton, zijn er vele grafheuvels op de moors. Imposant zijn de rijen stenen die op veel plaatsen bij de grafkamers vandaan lopen. De langste rij ligt in het bovendal van de rivier Erme en verbindt een stenen cirkel met een 3½ km verderweg gelegen grafheuveltje op Green Hill.
Scorhill 'stone circle' bij Gidleigh is slechts een van de vele stenen kringen. Het verhaal gaat dat overspelige vrouwen zich eerst moesten wassen in Cranmere Pool, vervolgens drie maal om Scorhill Circle rennen, door het gat van de Tolman-steen kruipen om te eindigen bij stone circles 'The Grey Wethers' op Sittaford Moor. Wanneer hier een van de stenen om zou vallen werd je alsnog gedood. Helaas is kun je niet meer zien hoeveel vrouwen het leven hebben gelaten, want de stenen van The Grey Wethers zijn bij restauratie allemaal weer overeind gezet.
In het noordwesten van het park ligt het plaatsje Lydford. Onder het plaatsje met kasteel ligt het begin van de beboste Lydford Gorge, een kloof met aan het eind een waterval.
Een van de mooiste stukken van het nationaal park is de omgeving van de dorpjes Manaton en Lustleigh. Op korte afstand van elkaar vind je hier het natuurreservaat van Yarner Wood, de watervallen Becka Falls en de fraaie rotsen van Hay Tor en Hound Tor. En om in de sfeer van de spookverhalen te blijven: men zegt dat sommige mensen op laatstgenoemde heuvel op onverklaarbare wijze doodsbang worden en zelfs in trance geraken.
Behalve een oude Tourist Map bestaat er sinds enkele jaren ook een prachtige Outdoor Leisure Map van Dartmoor. Wandelgidsjes bestaan er al van het begin van deze eeuw.
Literatuur
Sir Arthur Conan Doyle, 'The Sherlock Holmes tale of the Hound of the Baskervilles'.
4.6.2 Bodmin Moor (deel van Cornwall AONB)
Meerdaagse tochten - Dagtochten - Leuke punten - Kaarten, gidsen en literatuur
Bodmin Moor is Dartmoor in het klein. De heuvels zijn lager, het gebied is minder groot. Alleen de gevaren van de moors zijn niet minder. Verder is alles aanwezig: de 'tors', de moerassen, de préhistorische monumenten, de dagen met mist.
Deze moors worden doorsneden door de A30 en het bovendal van de rivier Fowey. Vrijwel op het kruispunt van deze twee lijnen ligt de beroemde Jamaica Inn.
Er zijn geen uitgezette routes over Bodmin Moor en het gebied is nogal klein voor een meerdaagse tocht. Een mogelijkheid is om een route over de moors te combineren met een stukje kustpad (zie ook 6.1).
Het beklimmen van de hoogste tors, Brown Willy (420 m) en Rough Tor kan het beste vanuit Camelford. De fraaie rotsformaties en het uitzicht zijn zeker de moeite waard.
Het landschap rond het plaatsje Minions heeft een woest uiterlijk door de uitstekende rotsblokken en de vervallen gebouwen van de verlaten mijnen. Een bezoek aan de Hurlers, drie onvolledige stone circles, kun je combineren met de achterliggende heuvel waarop de 'Cheesewring' staat, een opmerkelijke opeenstapeling van steeds grotere granietblokken. Letterlijk uitgewrongen kaas. Wandel je door naar het zuiden, dan kom je bij het plaatsje Darite bij een van de mooiste grafkamers van Cornwall: Trethevy Quoit. Het préhistorische bouwwerk van platte stenen is opvallend hoog.
Naar het westen toe kom je op de plaats waar de Fowey van het moor-plateau afstroomt in een steil dal. Hier liggen de Golitha Falls.
De moors liggen helaas op de grens van twee 1:50.000 bladen.
Literatuur
Veel Britten bezoeken de Jamaica Inn vanwege het gelijknamige boek van Daphne du Maurier. Vele plaatsen uit de verfilmde roman kun je rondom Bodmin Moor terugvinden.
Meerdaagse tochten - Dagtochten - Leuke punten - Kaarten, gidsen en literatuur
Van de drie moors heeft Exmoor het aardigste gezicht. Een veelheid aan tinten tussen groen en bruin, waarvan afhankelijk van het jaargetijde een van beide kleuren overheerst. Simpelweg kun je Exmoor zien als een plateau dat in het noorden abrupt is afgehakt en overgaat in zee. In twee opzichten verschilt Exmoor van de andere twee moors: de basis is geen graniet, maar leisteen en zandsteen; en in het noorden is geen vloeiende overgang, maar de hoogste klifkust van Engeland. In deze steile kliffen kun je aan de af en toe zichtbare rode zandsteen het verband zien met de Old Red Sandstone die aan de overzijde van Bristol Channel in de Brecon Beacons opduikt. Allebei afkomstig uit het Devoon (genoemd naar het graafschap Devon waar Exmoor gedeeltelijk in ligt). De fraaie kustlijn van Exmoor is wellicht haar grootste attractie. De ruige heuvels, begroeid met veel heide en varens zijn in mijn ogen echter niet minder mooi. Zeker als in september de hei Exmoor van een paarse gloed voorziet. En dan heb je nog de prachtig beboste dalen, die hier 'combe' genoemd worden.
Exmoor is relatief gecultiveerd. Er lopen vele wegen over de heuvels, zelfs de hoogste top, Dunkery Beacon (519 m), is bijna geheel met de auto te bereiken. Als compensatie voor de vele wegen over de heuvels zijn er enkele 'lege' dalen met prachtige voetpaden. De verspreide kleine dorpjes met een onvermijdelijke inn dragen eveneens bij aan het gemoedelijke karakter van het gebied. En in vergelijking met Dartmoor liggen er veel boerderijen in de moors, maar het blijven moors: de hogere heuvels zijn geen gedraineerde weilanden met hekken er omheen. Kortom, Exmoor heeft het uiterlijk van de uplands, maar is het woeste karakter ervan vrijwel geheel kwijtgeraakt. De moerassen zijn vrij ongevaarlijk. Verdwalen in de mist blijft mogelijk, maar de kans dat je weer op een weggetje uitkomt is vrij groot.
Wel is Exmoor voor het grootste deel particulier terrein, wat betekent dat je niet net als de wilde ponies zomaar over de heuvels kan zwerven, maar aan de paden gebonden bent. Gelukkig zijn er voldoende rights of way voorhanden en ook een aantal 'permissive paths'. Veel paden zijn zeer goed bewegwijzerd. Er wordt dus veel gewandeld. De moors, de 'combes' en de klifkust van Exmoor vormen voor de wandelaar dan ook een zeldzame combinatie.
In de zomer kan het behoorlijk druk zijn. Met name de schitterende plaatsjes aan de kust worden dan overspoeld door toeristen. Minehead, Porlock en Lynton kun je wellicht beter mijden. De kust van het zuid-westelijk schiereiland heeft voor Engelse begrippen goed strandweer en is dus het belangrijkste binnenlandse vakantieoord. Wandelend over de paden zal het best wel meevallen, maar als je een plaatsje binnenwandelt slaat de drukte je om de oren. Indien je de kans hebt, ga dan in het voorjaar of najaar. De kleuren van de moors zijn dan bovendien nog een stuk sprekender. In de zomer is gewoon alles groen.
De hele kustlijn van Exmoor is opgenomen in het enorme kustpad van het zuid-westen, de South West Way (zie 6.1). Behalve de reeds besproken Two Moors Way is er geen uitgezette meerdaagse route. Wanneer je binnen het nationaal park een wat langere tocht wilt maken, kun je deze twee paden gebruiken als basis voor een leuke rondtocht. Je volgt het kustpad van Minehead tot aan Lynmouth. Hier neem je de Two Moors Way naar het zuiden over Exe Head en door het dal van de river Barle naar Tarr Steps, waar je de route verlaat en de rivier verder volgt naar Dulverston. Van hieraf zoek je je eigen weg terug naar Minehead, via Dunkery Hill of via de Brendon Hills. Goed voor een afwisselende week, liefst in het voorjaar of in de herfst.
Het nationaal park kent een aantal bewegwijzerde tochten. Informatie hierover vind je onder andere bij het Exmoor House in Dulverston.
Ik had willen opschrijven dat alles in Exmoor een leuk punt is, maar dat is wel erg makkelijk gezegd. Toch scheelt het niet veel.
Exmoor is genoemd naar de rivier Exe, maar misschien is het dal van de Barle wel mooier. Interessant zijn de Tarr Steps, een stenen brug over de rivier, waarschijnlijk meer dan 500 jaar oud, en de 'stepping stones' bij South Hill Farm. Tussen Withypool en Simonsbath ligt een mooi voorbeeld van een préhistorisch fort: Cow Castle. Op dit heuveltje tussen de rivier Barle en het stroompje White Water ligt een ovale ringwal. Ook op andere plaatsen in Exmoor liggen dergelijke 'hill forts'.
Zowel bij Porlock als bij Withypool liggen stenen cirkels en concentraties grafheuvels tref je met name aan ten noorden en zuidoosten van Challacombe.
Buiten het hoogseizoen is een bezoek aan de schitterend gelegen dorpjes Lynmouth en Lynton de moeite waard. Vooral uniek is de 'cliff railway' uit 1890, een supersteil spoortje met twee treintjes die als een soort lift op waterkracht werken. Het treintje beneden gooit zijn watercontainer leeg en die van het treintje boven wordt gevuld totdat hij zwaarder is dan de onderste en het zaakje weer gaat bewegen.
Hoewel de hele kustlijn majestueus is, zijn de Valley of Rocks en Heddon Mouth Cleave ten westen van Lynton vermeldenswaard. De eerste is een uitspatting van de natuur in de vorm van wilde rotsvormen, de tweede een gave kloof die de rivier Heddon gemaakt heeft. De steile dalen die bij Lynmouth samenkomen zijn ook schitterend, alleen lopen er verharde wegen doorheen. Stroomopwaarts wordt het dal van de East Lyn rivier rustiger, geen weg meer, maar ook minder watervallen.
Er bestaat een one-inch Tourist Map van Exmoor. Anders heb je twee 1:50.000 bladen nodig. Aan gidsjes geen gebrek.
Literatuur
Hèt verhaal van Exmoor, Lorna Doone, geschreven door R.D. Blackmore, speelt zich af rondom het dalen van Oare Water en Badgworthy Water. En zoals in de Pennines de term Brontë Country is ontstaan, zo heet deze streek Doone Country.
Ook interessant is het verhaal van de vloedgolf die in 1952 na een etmaal met enorm veel regenval door de East en West Lyn naar beneden kwam zetten en het dorp Lynmouth de zee in spoelde. E.R. Delderfield, The Lynmouth Flood Disaster.