Hoofdstuk 7. Overig Engeland

Cannock Chase - Clent & Lickey Hills - Charnwood Forest - Lincoln Heath - Thetford Forest - New Forest

Jaagpaden - Oude spoorlijnen - Meerdaagse tochten - Kaarten en gidsen - Tochtverhaal

Wat er na de bergen, de heuvels en de kusten nog van Engeland rest, is niet slechts stedelijk gebied. Strikt genomen heb ik nog vele hoekjes van Engeland, die een bezoek waard zijn, onbesproken gelaten. Volgens mijn indeling zijn dit veelal laaggelegen stukken land of kleine heuvels. Vrijwel de gehele 'Midlands' en 'East Anglia' vallen daar bijvoorbeeld onder. Natuurlijk kun je hier ook wandelen, het blijft tenslotte Engeland. De afwezigheid van grote hoogteverschillen maakt het wandelen in deze delen van Engeland vergelijkbaar met dat in onze lage landen. Het verschil is alleen dat hier het instituut van 'right of way' de wandelmogelijkheden over onverharde wegen en paden door de velden beter heeft behouden.

Ik behandel hier een aantal gebieden die er uit springen door natuurschoon of een speciaal karakter, en tenslotte schrijf ik iets over twee voor wandelaars interessante landschapskenmerken van laag Engeland: oude spoorlijnen en jaagpaden langs rivieren en kanalen.

Cannock Chase AONB, ten noorden van Birmingham, is een populair wandelgebied. Het bestaat uit lage heuvels bekleed met varens, heide en loofbos. Gedeelten van het gebied zijn volgens afspraken met landeigenaren vrij toegankelijk, met name de ruigere stukken. Voor een meerdaagse tocht is het AONB te klein, het is beter geschikt voor dagtochten. Plaatselijk zijn folders met uitgezette routes te verkrijgen.

Ten zuidwesten van Birmingham liggen de Clent Hills & Lickey Hills, ook een gerenommeerd wandelgebied. Deze nog redelijk hoge heuvels zijn flink ingebouwd door wegen en woonwijken, maar uitstekend geschikt voor een dagtochtje met mooie uitzichten over Birmingham. De basis van de hoge heuvels is een ondergrond van precambrisch gesteente.

Hetzelfde oude gesteente uit het precambrium is te vinden in het prachtige miniatuur-berglandschap van het Charnwood Forest. In feite gaat het hier om een oud landschap dat langgeleden begraven is onder vele jongere afzettingen. Met het afslijten van deze jongere lagen zijn de toppen van oude gesteenten weer bovengekomen. De rotskragen en met varens begroeide hellingen geven het idee dat de heuvels veel hoger liggen dan hun feitelijke hoogte van 250 meter. Het uiterlijk van 'berglandschap' wordt geaccentueerd door de plaatsen waar waterlopen schitterende kloofjes in de oude rots hebben gesneden. Mooie voorbeelden zijn de Ingleberry kloof en de Brand kloof. Ze contrasteren mooi met de brede dalen door de jongere gesteenten uit het Trias.

Het enige nadeel van bovengenoemde drie gebieden is dat het er nogal druk kan zijn. Cannock Chase en de Clent & Lickey Hills worden aangedaan door de West Midland Way (261), een rondtocht om Birmingham.

Een van de meest opmerkelijke landschappen in oost Engeland is de Lincoln Heath, ook wel Lincoln Cliff genoemd. Van Grantham via Lincoln tot aan de Humber loopt een opmerkelijke steilrand, die niet onder doet voor de steilrand van de Cotswolds, waarvan ze een voortzetting is. Hoewel de lange noord-zuid rug slechts 40 meter boven het omliggende vlakke land uitsteekt, biedt ze goede vergezichten. Heb je in het westen steeds de steilrand, in het oosten loopt de smalle rug langzaam af. Omdat de ondergrond bestaat uit een kalksteen is de rug tot voor kort onontgonnen gebleven. Lange tijd bestond de rug uit ruige heidevelden, vandaar de naam Lincoln Heath. Op de enige plaats waar de rug onderbroken wordt door een rivierdal ligt Lincoln, met haar schitterend gelegen kathedraal. De Viking Way volgt de rug van Lincoln tot Grantham (zie ook 5.4.5).

Midden in East Anglia ligt Thetford Forest, een enorm bosgebied rondom de stad Thetford. Hoewel nagenoeg vlak heeft het veel te bieden: uitgestrekte naaldbossen, heidevelden en moerassige meertjes. Deze vegetatie gedijt op een ondergrond van zachte kalksteen, waar overheen glaciale afzettingen van zand en grind liggen. Het staat ook bekend als de 'Brecklands' en heeft een heel eigen unieke flora. Kenmerkend voor het gebied is de afwezigheid van beekjes: al het water zakt weg in het zand en de onderliggende kalk. In dit gebied ligt de grootste prehistorische vindplaats van vuursteen, de Grimes Graves. Ook loopt de oude Peddars Way er doorheen. Meer naar het westen toe ligt de Thetford Forest Walk (37), een uitgezette tocht door de naaldbossen. De grootste aantrekking van het gebied is de enorme rust: het is zeer dunbevolkt.

Heel bekend is de New Forest bij Southampton. Dit grote natuurterrein is een perfect wandelgebied. Er zijn veel uitgezette wandelingen en er bestaat zowel een Outdoor Leisure Map (1:25.000) als een Tourist Map. Vroeger was het bosgebied een koninklijk jachtterrein en tevens een bron van hout voor het in stand houden van de Britse vloot. Het is nu in beheer bij de Forestry Commission en heeft vooral een recreatieve functie. Het grootse deel van de 450 km2 is voor het publiek toegankelijk. Het speciale aan het gebied is dat de natuur er behoorlijk vrij spel heeft. Het landschap is een afwisseling van golvende velden, heide en bossen. De bossen bestaan op de nattige kleiige plaatsen voornamelijk uit eik en op de zandige delen overheersen beuk en berk. Voor de beperkte bosbouw zijn de laatste jaren ook naaldbomen geplant. Plaatselijk kan het erg nat zijn. In vele kommen waar het water niet weg kan, liggen moerassen, soms overdekt door een nat eikenbos. Het vlakke terrein maakt oriëntatie soms moeilijk. De grote hoeveelheid paden en sporen kan erg verwarrend werken en vraagt om nauwkeurig kaartlezen.

Vrij rondlopende paarden en ponies zijn een belangrijk kenmerk van de New Forest. De beesten zijn behoorlijk verwilderd en schijnen tegenwoordig zelfs bedreigend te kunnen zijn. Behalve de ponies bezit de New Forest een goede wildstand van herten, reeën, en vossen.

Jaagpaden

Hoewel de lage delen van Groot Brittannië zeker geen vlakke gebieden zijn, lopen er vele kanalen doorheen. De meeste stammen uit de tijd dat de Britse industrie zich begon te ontwikkelen. Voor zover de rivieren bevaarbaar waren werden die gebruikt, anderszins groef men kanalen die de rivieren met elkaar verbonden. De Britse kanalen lopen daarom vaak door dalen parallel aan onbevaarbare rivieren. Heel typerend zijn de speciale kanaalschepen, uiterst smalle en lange bootjes, die precies zijn afgesteld op de breedte van de vele sluisjes. (Tegenwoordig worden ze vaak verhuurd voor tochten over de kanalen.)

Voor wandelaars zijn de kanalen interessant vanwege de jaagpaden. Bijna alle kanalen zijn gegraven in de tijd dat de kanaalschepen niet op eigen kracht konden varen en voortgetrokken moesten worden door paarden. Hiertoe zijn langs de kanalen jaagpaden ('towpaths') aangelegd. De meesten ervan zijn op de kaart als right of way aangegeven. Waar dat niet het geval is, wordt het wandelen over het jaagpad altijd getolereerd. Aldus vormen dergelijke jaagpaden perfecte lange-afstandsroutes. Het zijn vaak prachtige staaltjes van wegenbouw en ze slingeren mooi door het land om dezelfde hoogte te houden. Niet zelden kom je ingenieuze constructies tegen in de vorm van aquaducten, tunnels en zelfbedieningssluizen.

Behalve de kanalen zijn ook vele rivieren voorzien van een jaagpad. Sommige lange-afstandspaden maken gebruik van de jaagpaden langs rivier en kanaal, zoals bijvoorbeeld de Thames Walk (253) die het oude jaagpad van London naar de bron van de Thames zo goed mogelijk tracht te volgen. Een alternatief is de Thames Valley Heritage Walk (172) die wat meer om de rivier heen slingert. Enkele jaren geleden liep ik ook een stuk door het dal van de Thames.

Oude spoorlijnen

Behalve de typische kanalen heeft Groot Brittannië eens een van de dichtste spoorwegnetten ter wereld gehad. In een land waar historische monumenten zo perfect bewaard worden is het eigenlijk een raadsel hoe het heeft kunnen gebeuren dat het enorme spoorwegennet zo rigoreus is afgebroken. In de hoogtijdagen van het Britse spoornet, was vrijwel elke plaats van enige omvang per trein bereikbaar. De trein was toen de belangrijkste vorm van transport. De opkomst van de auto betekende echter de doodsklap voor menige lijn. Mede door gebrek aan overheidssteun zijn in Groot Brittannië uiteindelijk vrijwel alle kleinere lijntjes, de zogenaamde 'branch-lines', opgeheven. Van het uitgebreide netwerk resteren nu slechts de grote doorgaande spoorlijnen.

Een wandelaar die van industriële monumenten houdt, zal hier geen traan om laten, immers, er wacht hem een schitterend net van in ongebruik geraakte spoorlijnen ('disused railways'). Probeer ergens de oude 1:250.000 serie van de Ordnance Survey (van vóór 1980) op de kop te tikken. Hierop stonden namelijk de oude spoorlijnen aangegeven. Gelukkig tekent de OS op haar detailkaarten nog steeds de loop van voormalige spoorwegen in: een 'course of old railway' of 'dismantled railway' kom je bijna op elke 1:50.000 kaart wel tegen.

Veelal is de grond van de oude spoorweg eigendom gebleven van de spoorwegen en hoogstens verpacht aan boeren, die er bijvoorbeeld schapen op laten grazen. Spoorlijnen die al lang geleden ontmanteld zijn, kunnen echter verkocht zijn en uit het landschap zijn verdwenen. Ik heb het meegemaakt dat plaatselijke boeren een spoordijk geheel afgegraven hadden en omgeploegd. Dat een oude spoorlijn een potentiële wandelroute vormt zal duidelijk zijn. Het blijkt alleen al uit het feit dat er over het onderwerp een vijftal gidsen zijn geschreven en dat er in het Peak District drie oude lijnen zijn omgebouwd tot wandelroute. Eén ding moet ik wel benadrukken: een oude spoorlijn is zelden een right of way. Het volgen van een oud spoortalud krijgt daardoor al gauw iets avontuurlijks. De doorgang kan op allerlei manieren worden belemmerd: een overgroeid of verdwenen trajekt, het ontbreken van een spoorbrug of een vervelende landeigenaar. Naast deze onaangename verrassingen kun je natuurlijk ook onverwachts een fraai oud stationnetje, een prachtig viaduct of een stukje tunnel tegenkomen.

Meerdaagse tochten

Een groot deel van de enorme verzameling uitgezette lange-afstandspaden loopt door overig Engeland. Ik noem hier een aantal bekende paden. Opvallend is dat van de 13 National Trails er geen een bij zit. Deze gaan allemaal door uplands, lowlands of kustgebieden.

De Essex Way (130) kun je in principe beginnen als je van de boot af komt in Harwich. Officieel start de gemarkeerde route aan het andere uiteinde, in Epping ten noorden van London.

Rondom London slingert de lange London Countryway (330). Hoewel grote stukken door laaggelegen gebieden voeren, worden ook de Chilterns en North Downs aangedaan.

Tussen de Cotswolds en de Chilterns loopt de Oxfordshire Way (105). De route start aan de oostkant van de Cotswolds in Bourton-on-the-Water, loopt door het vlakke land ten noorden van Oxford en steekt dan door de Chilterns naar de Thames vallei bij Henley-on-Thames.

Iets noordelijker gaat de Heart of England Way (129). Vanaf het noordelijke einde van de Cotswold Way in Chipping Camden neemt de route je mee langs de fraaie dorpjes door het 'hart van Engeland'. Het pad gaat tussen Birmingham en Coventry door en eindigt in Cannock Chase. De route is echter andersom beschreven.

In Cannock Chase zou je verder kunnen lopen over de Staffordshire Way (148). Naar het noorden gaat deze route langs het Trent & Mersey kanaal en komt dan de heuvels van de Staffordshire Mooorlands binnen om te eindigen bij Mow Cop, ten noorden van Stoke. Naar het zuiden toe draait de route om Birmingham heen en eindigt bij Kinver.

De Ebor Way (113) loopt grotendeels door de vallei van York. Vanaf Helmsley, het startpunt van de Cleveland Way volgt het pad de rivier Foss naar York. Vandaaraf gaat het langs de Wharfe tot Ilkley, het begin van de Dales Way. Voor de afwisseling wordt vlak voor Ilkley nog een stevige heuvel beklommen.

Kaarten en gidsen

Van de vele gebieden in overig Engeland zijn terplaatse gidsjes met dagwandelingen verkrijgbaar. Van speciale stukken zijn bij de Tourist Information meestal in folders beschreven tochten te bemachtigen. Uiteraard kun je ook gewoon met de reguliere 1:50.000 of 1:25:000 kaarten op stap gaan.



Tochtverhaal Thames Valley - zomer 1983

En toen ... ja, waar hadden de heren heen gewild? Naar Hazlemere? Zeg het maar, dan rijd ik jullie er even heen. Tsja, we konden net zo goed hier in Beaconsfield beginnen. Afijn, na veel vijven en zessen konden we onze gastheer ertoe bewegen ons simpelweg weer bij zijn eigen huis af te zetten, dat was voor hem ook het makkelijkst.

Na nog wat fotograferen van Erik liepen we het paadje naast zijn land in en vonden nota bene ook nog die éne tennisbal die we over de heg geslagen hadden en niet terug hadden kunnen vinden, zodat we nog even over het hekje moesten klimmen om de tennisbal terug te leggen.

Al snel liepen we te puffen en te zweten op het achterafpaadje tussen Knotty Green en Forty Green op weg richting Reading. Het was ook erg warm, benauwd weer. In een uurtje liepen we via Forty Green naar Woodburh Green. Het stikt hier van de 'greens'; waarschijnlijk worden er de statige beukenbossen mee aangeduid.

Op tijd om nog wat benzine en voedsel in te slaan. Dit laatste in een klein winkeltje met een nogal geïnteresseerde winkelbaas. Toen we uit Holland bleken te komen leefde hij op: hij was luchtmachtofficier geweest en ging vaak winkelen in Nijmegen toen hij in "vel" gelegerd was. Na vijf keer vragen begreep ik eindelijk dat hij het plaatsje Well bedoelde.

Ver kwamen we die dag uiteraard niet hoewel het in de avonduren steeds aangenamer werd om te lopen. Voorbij Bloom Wood en Horton Wood probeerden we de landelijke pub bij Juniper Hill op een plaatsje voor onze tent. We werden netjes verwezen naar een boerderij onderaan de heuvel, Bencombe Farm. Daar werden we verwelkomd door een vriendelijke man met een kindje op de arm, die weliswaar niet de eigenaar was, maar wel even ging vragen waar we precies konden staan. Dat hij daarvoor halsbrekende klimpartijen over diverse hekken moest uithalen was niet onze schuld, maar blijkbaar deed hij het met plezier, want toen hij terugkwam toonde hij ons waar we onze tenten konden opslaan, droeg water aan, vroeg verbaasd of we geen melk wilden en vond het ook bijzonder vreemd dat we zonder eieren wilden weglopen.

In het pas gemaaide en nog met balen hooi bezaaide veld richtten we ons paradijs in. Halverwege de heuvel gelegen keken we neer op Marlow en het dal van de Thames. Fantastisch gegeten, gezeten op een baal hooi met een ondergaande zon achter ons. De temperaturen begonnen ook weer normale waarden aan te nemen terwijl wij een fenomenaal dessert van ijskoude verse melk en een zakje 'chemisch' als frambozenpudding naar binnen werkten.

Dood

De dag begon weer zo heet als altijd. Niet bepaald de juiste omstandigheden om je het vuur uit de sloffen te lopen. Rustig aan dus, het is vakantie. In Marlow vonden we zowaar een reform-zaak waar we van alles konden krijgen: soja-brokken, muesli, gedroogd fruit enzovoort. Een oponthoud van een half uur was het onvermijdelijke gevolg. We verlieten het stadje langs de rivier, die we een tijdje hoopten te volgen. Bij de sluis die we tegenkwamen lokte dat gelijk een verbaasde houding van de sluiswachter uit: "Waar willen jullie heen? Dit loopt dood!", hetgeen nog bleek te kloppen ook. Ik had flink lopen suffen en niet goed op de kaart gekeken, het pad langs de Thames hield inderdaad even verder op. Het betekende een omweg door het park van Harleyford Manor, dat vol stond met caravans.

Volgens de kaart liep er een voetpad achter het park dat ons weer naar de Thames zou brengen en dit bleek uitstekend te klopppen. Het hoogtepunt van het paadje was een 20 meter lang manshoog tunneltje dat ons onder iets - ja, waaronder eigenlijk? - doorvoerde en op een mooi paadje langs de rivier uitkwam. Daar, onder de bomen, besloten we van de schaduw te profiteren en lekker koeltjes te lunchen. Ook ontdekten we daar hoe brutaal eenden kunnen zijn, weliswaar ten koste van een paar volkorenbiskwies.

Vreemde namen

Verzadigd trokken we verder langs Medmenham en besloten nog geen half uur later om maar weer neer te ploffen. Het was gewoon te heet en te benauwd. Er zat niets anders op dan in het gras te gaan liggen en de bootjes met hun vreemde namen te bekijken. Het waren er nogal wat die voorbij voeren: Gay Carolina, The Maiden Diana, Gay Christine III, en vele anderen. Toen we weer wat bekoeld waren, toch maar weer op pad. Het was echt een slome dag, we liepen wel, maar waarom en waarvoor? Ach, op zo'n dom bootje zitten is ook niet alles, dan maar liever op de wal lopen en alle domme bootjes bekijken.

Mill End gaf mooie voetbruggetjes over de stuwen in de Thames. Bij het oversteken stonden we eventjes te kijken naar het grote plezierjacht dat geschut werd. Tenslotte maar doorgelopen, alle ogen van het plezierschip op ons gericht. Het jaagpad bracht ons uiteindelijk naar Henley-on-Thames. De pub langs de grote weg, waar we onze zinnen op hadden gezet, had zo te zien geen veldje, maar bleek wel al geopend te zijn om zes uur. Beiden genietend van een pint bier, besloten we om door te lopen en bij Rotherfield Greys een pub of farm te zoeken.

De koele avondlucht was weer een verademing om in te wandelen. Om die reden vielen de laatste kilometers niet zo zwaar. In het plaatsje lag Cowfields Farm het meest voor de hand, hoewel er geen koeieveld te zien was. De jongen aan wie we toestemming vroegen verwees ons naar de kerel die met een combine graan aan het oogsten was en net aan een nieuw rondje over de akker begon toen we erheen liepen. Enig geduld was geboden, maar toen we het na 10 minuten konden vragen, bleek het kamperen nauwelijks een probleem. Terwijl de lucht betrok zetten we ons tentje neer, maar het bleef droog. Ons heem voor die nacht was weer geregeld.

Dampontwikkeling

We verlieten de boerderij met een voetpad aan de achterkant. Voor de verandering zou Erik eens kaartlezen, iets wat ik mezelf altijd toebedeel. Het zag er naar uit dat het vandaag niet zo bloedheet zou worden als gisteren, een prettige omstandigheid als je wilt stappen. We liepen naar Sonning om daar de Thames over te steken en verder te volgen. We hadden nogal wat problemen met de route, omdat de paden niet zichtbaar waren op de grond, of overwoekerd en drassig. Uiteindelijk belandden we op een pad van Dunsden Green naar Sonning, dat weliswaar goed aangegeven stond, maar dwars door een akkerland liep met een vreemd manshoog gewas van een ongekende sterkte (lijnzaad). Een paar kapmessen waren hier geen overbodige luxe geweest.

De ochtendpauze was aangebroken en bij Sonning zetelden we ons langs de Thames. Uiteraard weer veel bekijks van passanten, maar zij weten niet beter zullen we maar zeggen. Na een stuk of wat verslavende volkorenbiskwies (digestives) vervolgden we onze weg over het jaagpad. Een leuk paadje, maar helaas was de nadering van een grote stad duidelijk merkbaar aan de toename van de hoeveelheid rotzooi. Het toppunt wat dat betreft waren de twee smeulende blokken hout die midden op het pad lagen. Voor ons toch een reden om actie te ondernemen. Wie laat er nou ook een vuur zo achter?! Een beetje wind en het fikt meteen. Met onze bergschoenen schoven we de blokken maar het water in, wat wel een flinke dampontwikkeling teweeg bracht. Toen de blokken gelijk wegdreven naar het midden van de Thames en gevaar op kon leveren voor de scheepvaart, vroeg ik me wel af of het middel niet erger was dan de kwaal. We zijn maar gauw doorgelopen en verzeilden alras in wat oude industrie van Reading. Op weg naar het centrum liepen we door een parkje langs de rivier Kennet, dat er wel als lunchplek uitzag. In de Dommel-achtige stroom dreven enkele vogelnesten tussen de waterlelies. Aldus genoeg om te bekijken voor ons. Op onze beurt vormden wij weer een attractie voor de schoolmeisjes.

Vandalen

Voor mijn maatje was het de laatste loopdag, hij zou de volgende ochtend huiswaarts gaan. Na het noteren van de bustijden, als alternatief voor als het liften niet zou slagen, vierden we alvast het afscheid met een 'high tea'. Ja, en wat doe je dan verder nog op zo'n zaterdagmiddag? Een boekhandel in tot je eruitgezet wordt vanwege sluitingstijd. We sjokten de stad uit, op zoek naar een boerderij of een ander stekkie. De boerderijen op de kaart ten zuiden van de stad trokken ons. De vrees dat we toevallig in een stadsuitbreidingsgebied zouden komen werd bewaarheid. Op zich zag het er wel handig uit: de meeste huizen die er nog stonden waren pas verlaten, om plaats te maken voor een zoveelste nieuwbouwwijk. De tuintjes nog prima intakt. Wat let je om daar te kamperen?

Bij de speurtocht naar water bekroop ons toch een naargeestig gevoel. Na eerst een deur voor onze neus dichtgeklapt te krijgen, bleek bij een tweede poging bij een nog bewoond huis dat de buurt geteisterd werd door vandalen. Er was elke avond extra politie-surveillance. Niet zo'n lekkere buurt om je tent neer te zetten. Desondanks kregen we van de aardige man water mee en liepen vervolgens de stad helemaal uit. Bij de eerste boerderij, een 'university farm', kregen we toestemming voor één nachtje op een groot veld tegen de bosrand. Vroeg pitten want de dag begon weer vroeg.

's Ochtends om half negen stonden we gepakt op het weggetje voor de boerderij en gingen elk onsweegs. Ik zuidwaarts en Erik noordwaarts, terug Reading in. Een filmisch afscheid. Nog geen honderd meter van elkaar verwijderd, voelde ik de eerste regendruppels vallen. Regen? Voor mij niet zo erg, maar voor de lift-pogingen van Erik niet zo'n pretje. Nadat we nog een laatste glimp van elkaar opvingen sloeg een ander noodlot toe: de grote boodschap. Terwijl er een vrouw aan kwam fietsen vluchtte ik een zijweggetje in, op zoek naar een plekje uit het zicht.