Hoofdstuk 8. Schotland
Laaglanden - Hooglanden - Eilanden
Moeilijkheidsgraad - Accomodatie - Paden - Bergwandelen - Midges - Kaarten en gidsen
Om het wandelen in Schotland in één hoofdstuk af te doen is eigenlijk een belediging. Schotland is minstens zo groot als België en Nederland samen en op de industriële gordel rond Glasgow en Edinburgh na is het land vrijwel leeg. Voor een zelfvoorzienende rugzakwandelaar ligt hier een enorm gebied om te voet te ontdekken. Hoewel je in elke uithoek sporen van betreding tegen zult komen, kost het niet veel moeite om plaatsen te vinden waar dagenlang geen mens komt. Deze verlatenheid maakt dat Schotland wat betreft moeilijkheidsgraad nog vóór de uplands van Engeland komt. Niet alleen bestaat een groot deel van Schotland uit bergen en bergachtig terrein, maar de uitgestrektheid en de geïsoleerdheid van vele gebieden stellen hoge eisen aan ervaring en uitrusting (zie 2.4 en 2.5). Daarom is Schotland niet op te delen in makkelijke en moeilijke wandelgebieden. Ook stukken waar het relatief eenvoudig wandelen is, vereisen vaak door hun afgelegen ligging dat je goed uitgerust bent. Degenen die naar Schotland gaan, zoeken juist de rust van de verlaten gebieden en zien niet op tegen ruig wandelen. Als je hier niet van houdt ligt het veel meer voor de hand je heil in Engeland te zoeken.
Ik wil hier niet beweren dat je in Schotland geen makkelijkere wandelgebieden hebt. De bevolking van de grote steden trekt er op een mooie zondag uiteraard in grote getalen op uit. De wandelaars richten zich veelal op de lagere heuvels rondom de industriële gordel. Bij Glasgow liggen de Kilpatrick Hills en de Campsie Fells. Mensen uit Edinburgh hebben ten zuiden van de stad de Pentland Hills en aan de overzijde van de Firth of Forth de Cleish Hills, de Lomond Hills en Ochil Hills. Deze bekende heuvelgebieden zijn voor Schotse begrippen relatief laag, maar zouden in Engeland al tegen de uplands aan zitten. De heuvels steken namelijk allen boven het cultuurland uit.
Lopen door cultuurland in de lagere regionen van Schotland is zeker niet onmogelijk, maar kan problemen opleveren. Het gebrek aan duidelijkheid over wel of niet right of way betekent dat je soms de brutaliteit nodig hebt om over hekken of prikkeldraad te stappen en toch steeds rekening moet houden met landeigenaren die je weg kunnen sturen, ook al staat het pad op de kaart. Omdat vrijwel alle wandelaars in Schotland zich nauwelijks bekommeren om wandelen door het laagland, maar zich richten op de vrijheid van de heuvels en bergen, zijn de aanwezige paden door akkers en weiden vaak verdwenen of zwaar in verval.
Tenslotte zijn er in zelfs in de Schotse Hooglanden best eenvoudige wandelingen te bedenken. In veel bosgebieden zijn 'forest trails' uitgezet, en er zijn veel ruime dalen waar je een dagtocht zou kunnen maken. Grotere meren lenen zich vaak uitstekend voor dergelijke dagtochten, ik denk bijvoorbeeld aan Loch Lomond. Als je met de auto wilt trekken en hier en daar een niet te moeilijke dagwandeling wilt maken, hoef je Schotland niet bij voorbaat af te schrijven. Wanneer je echter wat ervaring hebt met ruig wandelen over heuvels en bergen, krijg je zo veel meer van Schotland te zien.
Het maken van trektochten in Schotland is vrijwel geheel voorbehouden aan de rugzakkampeerder. Een meerdaagse tocht uitzetten op basis van de beschikbare accomodatie van jeugdherbergen, hotels en B&B's is nogal ingewikkeld. Zelfs van de drie officiële lange afstandspaden is alleen de Speyside Way redelijk voorzien van overnachtingsmogelijkheden. Bij de West Highland Way en zeker bij de Southern Upland Way zit je zonder tent al gauw aan forse dagetappes. De 59 in Schotland aanwezige 'bothies' kun je gebruiken als noodonderkomen of als uitvalsbasis voor het maken van tochten in afgelegen gebieden, maar de verspreiding is niet zo evenwichtig dat je makkelijk een hele tocht op bothies kunt rekenen. Alleen in een paar gebieden is de dichtheid groot genoeg. In het zuid-westelijk deel van de Southern Uplands (Galloway) liggen er negen binnen redelijke afstand van elkaar. Andere grote concentraties van bothies vind je rondom Rannoch Moor (10) en in de Cairngorms (9), maar in de zomer is het in laatstgenoemde bergen weer zo druk dat het toch buiten slapen wordt.
Met de drie lange afstandspaden lijkt Schotland magertjes bedeeld. De mogelijkheden om in de verlaten heuvels en bergen zelf routes te uit te zetten met behulp van stafkaarten zijn echter enorm. Er bestaan aardig wat gidsen waarin route-suggesties gedaan worden. Schotland is een prachtig land om met voedsel voor een week en een drietal stafkaarten een uithoek te gaan verkennen. Ondanks dat het right of way in Schotland nogal onduidelijk is en niet op de kaarten staat aangegeven, zijn de paden die op de kaart staan vrijwel altijd terug te vinden. Bijna altijd zijn het oude wegen en paden: oude verbindingsroutes, paden naar (vervallen) boerderijen, paden waarlangs het vee werd opgedreven of paden die gebruikt werden en worden bij de jacht op wild. Problemen met toegankelijkheid en wildkamperen in de afgelegen gebieden komen nauwelijks voor, behalve in de periode van 'deer-stalking', het jachtseizoen van augustus tot half-oktober. Het lopen over de paden is bijna overal geaccepteerd, ook als ze door privé-bezit gaan.
Het gebrek aan paden dwingt je soms tot het doorkruisen van ruig terrein. Het buiten de paden treden levert zelden problemen op, het is hooguit erg zwaar lopen. Het doorwaden van rivieren is soms onvermijdelijk en na hevige regenval kunnen bepaalde rivieren veranderen in een onneembare woeste stroom. De op de kaart aangegeven voetbruggetjes zijn wel het meest onbetrouwbare element van de OS-kaarten. Soms zijn ze vervallen en soms lijkt het alsof ze nooit aanwezig zijn geweest. De vreemdste ervaring die ik ooit in Schotland had, was in Glen Einich in de Cairngorms. De ene dag troffen we er een wankel bruggetje over de rivier, de volgende dag liepen we dezelfde weg terug en moesten we waden. Het bruggetje was compleet verdwenen!!
Veel van de wandelaars in Schotland zijn op de bergtoppen gericht. Het 'verzamelen' van bergtoppen boven de magische grens van 3000 voet, de Munro's, lijkt bij sommigen veel op een verslaving. Dat het beklimmen van een top een prachtige onderneming kan zijn, zal ik zeker beamen. Denk alleen niet te lichtvaardig over de Schotse bergtoppen. Er zijn er nogal wat waarop het bergwandelen langzaam overgaat in bergbeklimmen. Goede kennis en ervaring van elementaire klimtechnieken is zeer gewenst. Je weg kunnen vinden met kaart en kompas is bittere noodzaak. In de mist kan een kleine afwijking van de juiste route je regelrecht een afgrond in sturen. Degenen die zich ervaren genoeg achten zullen de uitdaging van de Schotse bergen waarschijnlijk amper kunnen weerstaan.
Behalve dat het weer in Schotland je aardig parten kan spelen, bestaat er in Schotland nog een grote spelbreker die de vakantie van onvoorbereide wandelaars goed kan vergallen: de 'midges'. Deze verwanten van de Skandinavische knutjes kunnen je tot waanzin drijven. De mugjes van nog geen 2 mm lengte steken niet, maar bijten. Niet alleen is die beet irritant voelbaar, na de maaltijd laten de beestjes een rood vlekje achter dat nog een dag of twee blijft jeuken. Nu zijn de midges slap en sloom genoeg om door de aanraking met één vinger het leven te laten, maar het probleem zit hem niet zozeer in de kwaliteit als wel in de kwantiteit. Meestal komen ze in kuddes van pakweg een miljoen. Ze verlaten het veen en gaan rond de schemering op zoek naar argeloze kampeerders. Zo snel als ze opkomen, zo snel zijn ze op een bepaald moment in de avond weer verdwenen. Heel soms komt het voor dat ze de hele nacht actief blijven. Midges die overdag actief zijn zijn ook zeldzaam.
Er is maar één oplossing: jezelf opsluiten in een huis of een tent. Hopelijk heeft je tent dan echt knutjesgaas en niet zo'n goedkope soort waar de midges met gespreide vleugels doorheen vliegen. Voor de momenten dat je noodgedwongen toch buiten moet zijn dien je zoveel mogelijk je huid te bedekken en voor de rest kun je je toevlucht nemen tot een van de vele anti-muggenspulletjes. Als het al werkt, dan werkt het tijdelijk. Sommige middelen werken bij de ene persoon wel, bij de andere niet. Sommige midge-families zijn inmiddels voor heel wat spulletjes immuun geworden. Wol is geen barrière voor midges: ze kruipen lekker in je sokken en vallen aan. Als je kampeert, let dan op waar je je tent zet. De meest idyllische plekjes aan een meertje of bij een groepje bomen - zijn juist de grootste broedplaatsen. De ergste avonden zijn die waarop de wind helemaal stilvalt. Zet je tent daarom altijd op een plek waar het een beetje waait (en waar je ook niet wegwaait als het onverwachts gaat stormen!).
Het is moeilijk om aan te geven wat de mooiste stukken van Schotland zijn. Buiten de industriële gordel en de agrarische strook langs de oostkust is eigenlijk alles de moeite waard. Het aangeven van leuke plaatsen heb ik dan ook maar achterwege gelaten. Schotland is in mijn ogen gewoon een land waar je zelf moet ontdekken wat leuk is. De Cairngorms zijn niet mooier of lelijker dan bijvoorbeeld de noordelijke hooglanden, er zijn alleen verschillen. Ik heb Schotland daarom opgedeeld in een aantal vergelijkbare gebieden.
De Scottish Mountaineering Council (SMC) geeft een zevental zogenaamde District Guides uit. Het zijn zeer gedegen gebiedsgidsen met beschrijving van paden en routes, soms alleen wat verouderd. De indeling in gebieden komt grotendeels overeen met de indeling die ik hanteer.
8.1 Southern Uplands: de Schotse Laaglanden
Meerdaagse tochten - Dagtochten - Kaarten, gidsen en literatuur
In de Schotse Hooglanden noemen ze dit gebied de 'Scottish Lowlands'. De naam Southern Uplands is dichter bij de waarheid, want dit uitgestrekte gebied is nog het best te vergelijken met de Pennines. Maar terwijl de Pennine Way onder de Britse wandelaars een begrip is geworden, is de Southern Upland Way nagenoeg onbekend. De Southern Uplands zijn een rug van veelal kale ronde bergen ten zuiden van de industrile gordel van Glasgow en Edinburgh. Op weg naar de Schotse Hooglanden rijdt iedereen er doorheen en niemand stopt er. Allemaal de blik gericht op het paradijs achter Glasgow en Edinburgh. Ik moet eerlijk bekennen dat ik de Southern Uplands ook vaak op die manier voorbijgereden ben.
Je kunt de Southern Uplands het best beschouwen als overgangsgebied. Enerzijds vertonen de heuvels alle kenmerken van de Engels uplands, anderzijds is het af en toe zo afgelegen dat je het met recht Schotland kunt noemen. Maar het is ook geen echt Schotland, want de bergen zijn eigenlijk niet hoog genoeg, veel te rond en te weinig dramatisch. Kortom, ze missen de allure van de veelgeprezen Schotse Hooglanden. Slechts een deel van de Southern Uplands, rondom de hoogste berg Merrick (843 m) in het zuidwesten, heeft getracht die allure te benaderen en is daar redelijk in geslaagd. Voor het overige is het op zich terecht dat degenen die de het echte Schotland zoeken het gebied laten voor wat het is: mooi en vooral rustig.
De Southern Uplands zijn dus een lange serie miskende heuvels. Als je de ontelbare schapen niet meerekent zijn ze grotendeels onbewoond. De heuvelreeks wordt onderbroken door een aantal grote dalen, waarin de doorgaande wegen en wat verspreide agrarische centra liggen. Het feit dat deze heuvels altijd wat ondergewaardeerd zijn gebleven heeft er in ieder geval toe geleid dat de Forestry Commission er zijn gang heeft kunnen gaan. Enorme arealen van de kale heuvels zijn onder de ploeg geraakt en ingeplant met de saaie landschapsvernietigende naaldbossen. Als wandelaar kun je er vaak beter wegblijven aangezien de oorspronkelijke padenstructuur eveneens naar de knoppen is en vervangen door een structuur van boswegen. Helaas viel het mooiste en minst ontgonnen gebied ten prooi aan de grootste aanplanten. De Merrick is omringd door enorme bosgebieden, het Galloway Forest Park.
De ronde vormen die kenmerkend zijn voor een groot deel van de Southern Uplands zijn vergelijkbaar met die van de noordelijke fells in het Lake District en met de Howgill Fells. Evenals deze bergen bestaan de Southern Uplands overwegend uit gesteenten uit het Ordovicium en het Siluur. In het zuidwesten zijn op drie plaatsen granietmassa's ingedrongen. Eén van die granietmassa's is verantwoordelijk voor de woeste vormen rondom de Merrick.
Dit derde officiële Schotse lange afstandspad start in Portpatrick en steekt dwars door de Southern Uplands om in Cockburnspath aan de Noordzeekust te eindigen. Ondanks dat deze route al weer vijf jaar oud is, is ze nog nauwelijks bekend. Het is een pittige tocht die zeker niet onder doet voor de Pennine Way. Daarentegen is deze route mijns inziens zeker te verkiezen boven de Pennine Way. Niet alleen spreken het begin- en eindpunt veel meer tot de verbeelding je loopt van kust tot kust maar het pad is ook nog niet door duizenden stukgelopen. Ook is de Southern Upland Way er niet zo op gericht om lange tijd hoog over de heuvels te blijven lopen. Wat niet wil zeggen dat de route makkelijker is, want de route gaat door uitgestrekte onbewoonde gebieden waar je alleen bent met de elementen en de schapen. Waar mogelijk doe je een plaatsje of dorpje aan.
De beklimming van de Merrick is een populaire tocht en het makkelijkst te maken van het einde van het weggetje in Glen Trool. Glen Trool is ook een goed startpunt voor een wandeling door de bossen van het Galloway Forest Park.
Twee bergen zijn bijzonder lonend om beklommen te worden op een heldere dag: de zeer geïsoleerde Criffel (568 m), de granietberg ten zuiden van Dumfries, geeft schitterende vergezichten over het Lake District, en Tinto Hill (705 m) ten zuiden van Lanark biedt een uitzicht over een enorm deel van de Southern Uplands. Op een heldere dag kun je zelfs Goat Fell op Arran zien.
De Eildon Hills bij Melrose zijn heel typische heuvels met fraai uitzicht over het Borderland.
Moffat is een goed en fraai uitgangspunt voor de centrale bergen in de Southern Uplands.
Bartholomew heeft een speciale kaart van de Pentland Hills (1:42.240) met bijbehorend wandelgidsje. Van het Galloway Forest Park bestaat een wandelgids en van andere delen van de Southern Uplands ook wel.
Literatuur
S.R. Crockett heeft een flink aantal verhalen geschreven die in Galloway afspelen. Zijn bekendste werk, The Raiders, heeft zijn naam gegeven aan de Raiders' Road Forest Drive, langs Clatteringshaws Loch.
Ten noorden van de lijn Dumbarton (Glasgow) - Stonehaven (Aberdeen) is het een en al Highlands. Voor veel mensen begint hier pas het echte Schotland. Eenmaal de industriële gordel gepasseerd kom je in het rustige bergland, waar de imposante natuur een enorme invloed op de mens lijkt te hebben. Dat is het magische van Schotland, de sfeer waarin je bevattelijk wordt wordt voor spookverhalen en bovennatuurlijke verschijnselen. Een melancholieke sfeer die de nietigheid van de mens steeds benadrukt. Het ene moment schijnt de zon op de lieflijke groene bergen, het volgende moment giert de wind om je heen en loop je door de mist. De mist die alles verbergt en vervormt. Afstand, grootte, hoogte, niets is meer betrouwbaar: de mist bedriegt oog en oor.
In de verlaten hooglanden kom je de Keltische cultuur tegen die zo nauw aansluit bij deze natuurlijke omstandigheden. De onverstaanbare taal, het aan het Welsh verwante Gaelic, hoor je in afgelegen dorpjes en lees je op de kaart. De typische huizenbouw herken je in de vele ruïnes en in de gehuchtjes aan de westkust. Maar het meest voelbaar blijft de Keltische mystiek. Hoe verder je in de uithoeken van Schotland komt, hoe sterker deze mysterieuze sfeer aanwezig is. En de nuchtere Hollander die dat allemaal flauwekul vindt, moet eerst maar eens een winderige nacht helemaal alleen in de bothy Shenavall gaan slapen. Daarna praten we nog wel eens verder.
De Schotse hooglanden hebben een rijke historie, vol dramatische gebeurtenissen. De zogenaamde 'Highland Clearances' zijn daarin wel de meest zwarte bladzijde. Voor die tijd waren de hooglanden het toneel van de vele keuterboeren die naar beste kunnen probeerden op de weinig vruchtbare turfgronden wat gewassen te verbouwen en vee te houden. Dat alles onder de feodale clan-structuren. De clanhoofden verkochten echter het land aan de Engelsen, en de plaatselijke keuterboeren werden gedwongen te vertrekken om plaats te maken voor de schapenteelt. Rond 1800 zijn zodoende complete bewoonde valleien ontvolkt geraakt. Velen hadden geen andere keus dan te emigreren of naar de grote steden te trekken. Uit deze tijd stammen de grote (Engelse) landgoederen met hun afgelegen landhuizen ('lodges').
Tegen deze achtergrond is de houding van de Schotten ten opzichte van de Engelsen goed te begrijpen. Noem een Schot dus nooit een Engelsman. De meeste Schotten zijn zeer vriendelijke doch gedepriveerde mensen. Schotland was een kolonie van de Engelsen en is dat volgens vele Schotten nog steeds. Vroeger pikten de Engelsen het land in, tegenwoordig ligt de prioriteit van de Engelsen bij de olie op het Schotse deel van de Noordzee. Het geeft nieuw voedsel aan het Schotse nationalisme.
De hooglanden zijn momenteel nog maar spaarzaam bewoond. Langs de hoofdwegen liggen her en der wat dorpjes en een enkele grotere plaats, waar het toerisme, de schapenteelt en wat bosbouw de enige bestaansbronnen zijn. Aan de westkust liggen nog enkele vissersplaatsjes. Het toerisme in de hooglanden is redelijk ontwikkeld, maar blijft beperkt tot de plaatsen die gemakkelijk met de auto bereikbaar zijn. Wandelaars hebben er amper last van, zeker degenen die een trektocht maken. Eenmaal van de gebaande toeristenwegen af, ligt er een leeg land voor je open. En gelukkig zijn de Schotse hooglanden voorlopig nog groot genoeg om te voorkomen dat de wandeltoeristen elkaar voor de voeten lopen. Enkele favoriete plekken daargelaten.
De ondergrond van de Schotse Hooglanden is vreselijk oud. Over grote delen komen steensoorten voor die in het Precambrium en het begin van het Cambrium gevormd zijn. Het gaat dan om een grote variatie metamorfe gesteenten, afzettingen die onder enorme druk en temperatuur van vorm en structuur veranderd zijn. Hiertussen kom je op plaatsen allerlei stollingsgesteenten tegen, ontstaan als vloeibaar materiaal dat van onderuit tussen de gesteenten is binnengedrongen en gestold. Meestal is dit keihard graniet, zoals de gesteenten van de Cairngorms, Etive en Ben Nevis. Niet toevallig is de Ben Nevis (1343 m) de hoogste top en de Cairngorms de hoogstgelegen berggroep.
Er bestaan nogal wat indelingen van de hooglanden, allemaal arbitrair. Ik heb een simpele indeling naar windstreken gemaakt, die mijns inziens aardig overeenkomt met verschillen in landschap en soort bergen. De indeling van de gebiedsgidsen van de Scottish Mountaineering Council is grotendeels identiek.
Ten noorden van de 'Great Glen', het grote kaasrechte dal tussen Fort William en Inverness, liggen de westelijke en noordelijke hooglanden. De grens tussen deze twee is de spoorlijn van Inverness naar Kyle of Lochalsh: de Kyle Railway.
De zuidelijke en oostelijke hooglanden vind je ten zuiden van de 'Great Glen' en de scheidslijn tussen zuid en oost wordt gevormd door autoweg A9 tussen Perth en Newtonmore en de A86 tussen Newtonmore en Spean Bridge.
Verwarring over de indeling ontstaat bijvoorbeeld door de naam van de West Highland Way, die niet door de westelijke maar door de zuidelijke hooglanden loopt.
Er bestaan bijzonder veel gidsen over de Schotse hooglanden, maar relatief weinig echte wandelgidsjes met concrete suggesties voor tochten. De meeste gidsen geven een beschrijving van aanwezige paden en suggesties voor de bestijging van bergtoppen. Een van de bekendste boeken is 'Mountaineering in Scotland' van W.H. Murray. Van dezelfde schrijver is ook 'Undiscovered Scotland' waarin uitgebreid verhaald wordt van mysterieuze zaken als poltergeesten en dergelijke.
Literatuur
Wie meer wil weten over de dramatische ontvolking van de hooglanden, moet het boek 'The Clearances' van John Prebble lezen. Hij heeft ook twee andere zwarte bladzijden uit de Schotse geschiedenis in verhaalvorm beschreven: 'The Massacre of Glencoe' over de moordpartij bij Glencoe en 'Culloden' over de beslissende veldslag bij Culloden, waar de Schotten het tegen de Engelsen aflegden.
Er bestaan flink wat reisverhalen van voettochten door Schotland. Heel aardig is 'Hamish's Mountain Walk', een verslag van de bestijging van alle bergen boven de 3000 voet in één voettocht door Hamish Brown.
Loch Lomond - Argyll - Breadalbane - Etive - Glen Coe - Rannoch Moor - Ericht - Ben Nevis
Meerdaagse tochten - Dagtochten - Kaarten, gidsen en literatuur
De zuidelijke hooglanden zijn het gemakkelijkst te bereiken gebied en daarmee ook het meest populair. Er lopen relatief veel wegen door het gebied met een vrij grote hoeveelheid verkeer. Hierdoor lijken de zuidelijke hooglanden wat beschaafder dan andere streken, maar niets is minder waar. Ver van de dorpjes en de wegen is dit Schots hoogland in volle glorie: hoge, grillige bergen, grote gletsjerdalen gevuld met langgerekte meren of zeearmen en verder alleen maar supergroen gras, als bewijs dat het veel regent. "Als je de Ben (Nevis) kunt zien, gaat het regenen; als je de Ben niet ziet, regent het."
Op een mooie zondag stroomt half Glasgow over de smalle weggetjes naar de veel bezongen oevers van Loch Lomond. Hier zit je meteen tussen bergen van meer dan 1000 meter hoog. Een tweede attractiepunt is de Trossachs, een beboste kloof tussen Loch Katrine en Loch Archay. Deze twee trekpleisters hebben dit berggebied de naam Loch Lomond & The Trossachs gegeven. Vooral Ben Lomond, Ben More en The Cobbler zijn veel beklommen bergtoppen.
Naar het westen toe kom je in Argyll, een grillig gebied door de vele zeearmen die heel ver het land binnendringen. hoge bergtoppen zijn hier niet aanwezig en de heuvels zijn over grote delen door de Forestry Commission voorzien van naaldbossen. Hoe verder je Argyll in gaat, hoe meer de invloed van de zee toeneemt. Als je het lange schiereiland Kintyre betreedt heb je het gevoel op een eiland te zijn beland.
Breadalbane is een berggroep ten noorden van Loch Lomond & the Trossachs. Gelegen tussen Loch Tay en Loch Rannoch zijn enkele fraaie toppen, waarvan de hoge Ben Lawers (1214 m) het meest populair is, maar Schiehallion wellicht de mooiste berg is.
Loch Etive is een schitterende fjord. Ze dringt onverwacht ver tussen de bergen en eindigt tegen de de bergtoppen die de beroemde Glen Coe omringen. Maar door Glen Coe loopt een grote weg en Glen Etive is leeg. Om Ben Starav, de koning van Etive, te bereiken moet je 20 kilometer over een klein weggetje. Dat deze berg recht uit zee opstijgt tot 1079 m spreekt zeer tot de verbeelding.
Glen Coe wordt het mooiste dal van Schotland genoemd. Elke autobezitter kan de grootsheid ervan bewonderen, dus is het mijns inziens niet het mooiste dal. De stoeltjesliften wijzen erop dat er in de winter op de hellingen wordt geskied.
Rannoch Moor is misschien wel het raarste stuk Schotland. Een hoogegelegen en opmerkelijk vlak gebied, ontstaan in de ijstijden. Op de plaatsen waar klompen ijs lange tijd hebben gelegen vind je op de verlaten hoogvlakte vele holtes en kommen, gevuld met meertjes. Enkele oude paden doorkruisen Rannoch Moor en in het oosten loopt de West Highland Railway door de verlatenheid, een van de mooiste stukken Britse spoorlijn, met zulke eenzame stationnetjes als Corrour Station waar alleen een jeugdherberg ligt.
Van hieruit zijn de bergen van Ericht prima te verkennen. Deze groep wordt doorsneden door het langgerekte Loch Ericht. Het is een relatief weinig bezocht gebied met Ben Alder als meest bekende bergtop. De bothy onderaan de berg staat bekend om zijn poltergeesten; achter de bothy lag de schuilplaats van enkele gezochte clan-hoofden in de 18e eeuw.
Tenslotte Ben Nevis & the Mamores. Vanuit Fort William wordt de Ben Nevis door velen beklommen. In september is er zelfs een hardloop-race naar de top en terug. De Ben had rond 1900 een hotel en observatorium op de top. Uit deze tijd stammen de weersgegevens over de top van de Ben: per jaar valt er gemiddeld 4 meter neerslag en is de gemiddelde temperatuur net onder nul. In een koele zomer tref je in enkele holten eeuwige sneeuw aan.
Van alle Schotse bergen is deze groep wellicht het meest grillig. Sommige toppen zijn met witte kwartsiet bedekt. Vooral de achter de Ben gelegen toppen, zoals de Aonachs, en de Mamores ten zuiden van Glen Nevis zijn de moeite waard vanwege hun rust. In de zomer is het op de Ben een heksenketel.
Dit eerste Schotse lange afstandspad is in korte tijd razend populair geworden. Voor veel mensen die nog nooit in Schotland gelopen hebben is het een openbaring, maar ervaren Schotland-gangers bekijken de route met een flinke dosis scepsis. Het pad begint direkt in de buitenwijken van Glasgow bij Milngavie en na een dag door akkers en velden kom je de hooglanden binnen via de fraaie oostelijke oever van Loch Lomond. Dan wordt het een dalroute parallel aan de weg en de West Highland Railway tot Bridge of Orchy, waar de route de dalen verlaat en meer over de bergflanken gaat lopen. Twee passen moet je over voordat je tenslotte Fort William bereikt. Vooral na Bridge of Orchy krijgt de route de allure van een echte tocht door de verlatenheid van het Schotse hoogland. Wat dat betreft zit er een goede opbouw in de West Highland Way en is het pad een prima introductie op het lopen in Schotland. Accomodatie aan het eind van elke dagetappe maakt het meeslepen van een tent niet strikt noodzakelijk.
De West Highland Railway biedt aardige mogelijkheden voor het maken van dagtochten. Niet alleen komen enkele stukken van de West Highland Way tussen Ardlui en Bridge of Orchy in aanmerking, maar tussen de ochtend- en avondtrein zou je ook een tocht over de Rannoch Moor kunnen maken, van Bridge of Orchy naar Rannoch Station bijvoorbeeld.
In de vele (produktie)bossen van Argyll kunnen prima boswandelingen gemaakt worden, vooral aangenaam bij nat en winderig weer.
Omdat de zuidelijke hooglanden relatief goed ontsloten zijn door wegen, zijn er veel bergtoppen vanaf een parkeerplaats in een paar uur te beklimmen. Behalve natuurlijk de Ben Nevis zelf, kun je denken aan Ben Lawers, Ben More, Ben Cruachan, The Cobbler of Ben Lomond, om de populairste te noemen.
Van de zuidelijke hooglanden bestaan twee aaqnsluitende Tourist Maps met de one-inch schaal: Loch Lomond & The Trossachs en Ben Nevis & Glen Coe. Samen beslaan ze weliswaar niet het hele beschreven gebied, maar de hele West Highland Way valt exact op de twee kaarten.
Behalve de twee SMC-gidsen van de zuidelijke en de centrale hooglanden, zijn er genoeg wandelgidsjes te krijgen.
8.2.2 Oostelijke hooglanden
Cairngorms - Lochnagar - Atholl - Monadliath Mountains
Meerdaagse tochten - Dagtochten - Kaarten, gidsen en literatuur - Tochtverhaal
Als je droogste bergen van Schotland zoekt moet je hier wezen. Gemiddeld is de hoeveelheid neerslag hier de helft van wat er aan de westkust valt. Niet dat deze wetenschap veel zegt. Mijn eerste wandelvakantie in Schotland bracht me in de Cairngorms een weekje somber miezerweer.
Toch zijn deze oostelijke hooglanden, op de populaire Cairngorms na, niet zo heel erg in trek. Ze missen iets van de dramatiek van het landschap aan de westkust van Schotland, waar de fjordkust ver het land binnendringt en de hoogteverschillen accentueert. In de oostelijke hooglanden zijn die hoogteverschillen minder en heeft het landschap meer weg van een plateau met door rivieren ingesneden dalen.
De Cairngorms behoren tot de meest bezochte berggebieden in Schotland. Centraal gelegen in de oostelijke hooglanden vormen deze bergen het hoogstgelegen gebied in Groot Brittannië. Hoewel genoemd naar de berg Cairngorm is de Ben Macdui (1309m) hier de hoogste top en nauwelijks lager dan de Ben Nevis. Het gebied rondom de hoogste toppen is een natuurreservaat.
De basis van de Cairngorms is een enorme massa graniet, waarin tijdens de ijstijden door beginnende gletsjers enorme kommen ('corries') en dalen ('glens') zijn uitgeslepen. Ronde bergen zijn het gevolg, vaak met enerzijds rustig aflopende hellingen en anderzijds abrupte steile rotswanden. Bovenop de vlakke toppen merk je duidelijk op een voormalig plateau te zijn aangeland. Er heerst hier bovenop een bijna arctisch klimaat met bijbehorende arctische-alpine flora. Enorme windsnelheden en extreme temperaturen zijn kenmerkend voor de Cairngorms. De relatief geringe neerslag en de granieten ondergrond verklaren de afwezigheid van grote veenlagen. Voor wandelaars een prettige bijkomstigheid.
Het toerisme beperkt zich met name tot Aviemore en het onderaan de berg Cairngorm gelegen Glen More. In de winter veranderen beide in een skidorp, aangezien de Cairngorms dan een flink pak sneeuw krijgen. De noordhellingen van Cairngorm zijn zodoende flink verpest met skiliften, parkeerplaatsen en restaurants.
Goede paden lopen er door de dalen, waarvan er drie bekende right of ways zijn: langs de zuid- en westrand door het dal van de Dee en Glen Feshie, dwars door de bergen via de mooie Lairig Ghru pas en langs de oostrand van het natuurreservaat door Glen Derry. De routes zijn alledrie in principe met behulp van een bothy-overnachting in twee dagen te lopen. De kleine bothies zitten in de zomer wel snel vol.
Ten zuiden van het brede dal van de Dee liggen de bergen rond Lochnagar, een voortzetting van de Cairngorms. Het is koninklijk gebied: Balmoral Castle, in het dal, is zomerresidentie van het Britse koningshuis. Behalve een goede uitvalsbasis voor de omringende bergen biedt het brede dal van de Dee prachtige eenvoudige wandelingen.
De bergen ten zuiden van de Cairngorms zijn minder hoog, maar vormen een groot uitgestrekt gebied, niet doorsneden door wegen. De mooie kaasrechte kloof Glen Tilt maakt een niet te moeilijke doorsteek door de bergen van Atholl mogelijk: van Blair Atholl naar Braemar via een eeuwenoude right of way. In vroegere tijden werden dit dal en enkele zijdalen bewoond door vele boeren. Nu is het alleen nog maar woeste natuur.
Volgens Hamish Brown zijn de Monadliath Mountains de saaiste bergen van Schotland. Inderdaad is deze groep weinig spectaculair te noemen, vanwege de afwezigheid van steile rotswanden en spitse toppen. De heuvels zijn ronder dan rond, de dalen nogal ondiep. Veenvorming en ophoping van dikke veenlagen is overal in volle gang. Tenzij je van perfecte rust houdt of een extreme oefening kaart en kompas lopen in dichte mist zoekt, kan ik je dit gebied niet echt aanraden.
De Speyside Way loopt door de oostelijke hooglanden, maar voert niet door hooggelegen terrein. Van de noordkust bij Spey Bay volgt de route het dal van Schotlands langste rivier en is daarmee een leuke en eenvoudige route. Tot aan Ballindaloch is de route officieel en gemarkeerd. Uiteindelijk zal de route verder doordringen in de hooglanden en ten noorden van de Cairngorms in Glen More eindigen. Maar over het tracé van deze zuidelijke helft wordt al sinds 1981 onderhandeld. Meer over de route lees je hieronder in het tochtverhaal over de Speyside Way.
De brede valleien van de rivieren Dee en Spey bieden veel mogelijkheden voor eenvoudige dagwandelingen. Er zijn Nature Trails en Forest Trails, onder andere bij Aviemore en Ballater.
Niet al te zwaar lopen is het in de bovendalen van de Spey en de Findhorn in de Monadliath Mountains. Ook ten zuiden van Lochnagar liggen enkele fraaie dalen, met name Glen Clova dat eindigt in Glen Doll.
Loch Muick is een afgelegen doch goed te bereiken meer, temidden van woeste bergen. Een rodje om het meer behoort tot de mogelijkheden. De situering van Loch Einich in de Cairngorms is nog dramatischer. Heen en terug naar het prachtige water is een stevige dagtocht.
Voor autobezitters is de beklimming van de Cairngorm kinderspel. Andere toppen van de Cairngorms zijn zeker niet zo eenvoudig te bereiken. Ook makkelijk te bereiken zijn de Cairnwell en de Glas Maol, aan weerszijden van de pas in de A93.
Van de hoge bergtoppen van de Cairngorms bestaat een Outdoor Leisure Map. De Speyside Way is alleen nog maar in een viertal folders beschreven.
We verlaten Aviemore en de Cairngorms. Voorlopig heb ik genoeg van dat gebied. Kon me trouwens verdomd weinig herinneren van de paden door Rothiemurchus die ik ook in 1980 schijn te hebben gelopen. De Spey is best wel leuk. Grappige met loofbos begroeide heuveltjes (drumlins?) liggen her en der in het brede dal. We willen eerst bij Loch Dallas kamperen, vanwege de naam, maar er is geen leuk plekje te vinden. De boer van Kinchurnie laat ons met gevulde waterzak toe op z'n land als we de schapen maar niet verstoren.
De schapen lieten zich zelfs niet door hagelbuien verstoren. Her en der om de tenten vinden we 's ochtends groene uitsparingen in het witte veld. Ze hebben zelfs vlakbij onze tenten geslapen. Onze groene uitsparingen zijn heel mooi zes- en achthoekig. De kudde schapen doet ons uitgeleide en komt blatend achter ons aan. De gelige lichtbruin getinte vacht steekt fraai af tegen het hagelwit, als de zon doorbreekt. Het belooft een heldere dag met koude maartse buien te worden. Spey gaat uiterwaard-neigingen vertonen en wij Hollanders sjokken over de zomerdijk. Tot we er genoeg van krijgen en de oude spoorlijn weer opzoeken, de komende dagen een trouw metgezel.
Gebak-tijd
Grantown. De grootse indruk van het stadje maakt haar lelijk. Eén winkelstraat, verderop zich verbredend met ventwegen waarlangs een serie saaie grijze hotels staan opgesteld. Teveel hotels. Tussendoor kijk je het lege achterland in. Het is 'early closing day'. Met onze modderpoten bevuilen we de vloer van de enige geopende winkel, die tot onze tevredenheid ook de nog ontbrekende stafkaart in voorraad heeft. Het meisje dat de vloer aan 't dweilen is, kijkt droevig. Ik glimlach schaamtevol terug. We spoeden ons naar "the Wheatsheaf". Thee-tijd en ook wel gebak-tijd. Wie had gedacht dat we alleen voor het kopen van een stafkaart naar het stadje liepen?
Oude langlaufsporen in het bos bij Grantown vervagen onder de neerdalende sneeuw. Het lijkt er op dat je hier alleen vandaag niet kon langlaufen. Ach, wie denkt er nou nog aan langlaufen? We verdwalen bijna en dus wend ik al mijn kaartleeskunst aan om het bos uit te komen, niet gehinderd door diverse hekken. Het sneeuwt pas echt goed als we in de laatste restjes daglicht de tenten opzetten. Ik baal ervan. Alles wat je neerlegt is in een minuutje verdwenen onder de sneeuw. Dionni is bijvoorbeeld zijn waterzak kwijt. Mijn tent werkt niet mee en tegen de tijd dat ik eindelijk mijn hele hebben en houden onderdak heb, stopt het sneeuwen. Ik lig zeiknat in 'n zeiknatte tent. Het hele denken gericht op één ding: droog en warm worden, eten, slapen, niksdoen. Vergetend dat we zomaar plompverloren op een weitje zijn gaan staan, eigenaar van een rijke 'landlord' en verpacht aan de werkende boeren, waar we water gevraagd hadden. "Je mag hier best kamperen, maar wij weten van niks als je door de baas gepakt wordt, hoor!" Het klonk ons zeer vertrouwd in de oren.
Kleffe hap
Een helder maantje laat ons 's avonds zien waar we gepitcht staan. Nadat we in het Stappertje van Dionni bekeken hebben hoe snel we de volgende dag moeten lopen om vóór vier uur bij de Glenfarclas-distilleerderij te zijn, sta ik mijn tanden te poetsen en ziet mijn oog datgene dat ik al vaag vermoedde toen ik lag te koken: er staat iets verderop in de wei een flinke kudde runderen onder de bomen. Ik val opvallend snel en gerust in slaap die avond. 's Ochtends staan de beesten nog even rustig onder de bomen en komt de boer op z'n tractor voer brengen. Het is nog steeds prachtig helder weer, dat wil zeggen dat de kleffe hap van gisteravond nu stevig opgevroren is. Ritsen vol ijs, alles vol ijs. Flink krabben dus.
Tot Advie volgen we een B-weggetje. Gezien het pak sneeuw is dat de vlotste route. Het stukje spoorlijn aan de overlkant van de Spey loopt vrijwel parallel aan de drukke A-weg en lijkt dus niet aantrekkelijk. Ondanks een sporadisch passerende auto, die hier volgens een bord langzaam moet rijden in verband met jonge fazanten, genieten we van een heerlijk zonnig ochtendje. Een aardig stuk onbedorven oude spoorlijn voert ons naar het einde van de Speyside Way: Ballindaloch Station. Voor ons het halfweg-punt. De Speyside Way is namelijk maar half af. De onderste, door ons reeds afgelegde helft, is nog niet geopend vanwege allerlei o zo fijn meewerkende grote landeigenaren. Allemaal zo flexibel als een rots. We maken een mooie foto van het bord dat al zes jaar aangeeft dat dit het voorlopige einde is van het lange-afstandspad. En of je de onderhandelingen over de verlenging niet wilt dwarsbomen door verder te lopen (over privé grond). Nou ja, we hebben nergens een bord verboden toegang of privé gezien, laat staan een boze grondeigenaar! We beginnen aan de Speyside Way en klimmen na 200 meter in een oude loods om lekker te lunchen.
Zoetsappig
's Middags verlieten we de spoorlijn en Spey om ons naar onze afspraak in Glenfarclas te spoeden. Hiervoor moesten we een kilometer langs de drukke A95. De weg was na enkele sneeuwbuien nog niet helemaal schoon gereden, lastig voor ons. Met name vrachtwagens zorgden voor een heerlijke douche van pekelwater en halfgedooide pratsj. De enige oplossing was de berm in en over een slootje springen. Dionni week meestal minder uit en proefde een paar keer de zoute gevolgen van een fikse lading.
We werden verwacht. Liever gezegd: men was blij dat we eindelijk om 15.30 uur kwamen (Hadden ze de hele dag op ons gewacht?). Een rondleider en een vrouw die souvenirtjes verkocht in een grote warme zaal. Ik liet m'n rugzak met bevroren tent erin wijselijk buiten in de kou staan. Een videoband met overvloei-dia's werd gestart. Wij luisterden aandachtig, maar misten de helft. Niet alleen werd de zalvende Engelse kommentaarstem overstemd door zoetsappige klassieke en jazzy muziek, maar meer nog tetterden de geluiden van hamers, zagen en ander timmergereedschap in onze oren. Het Visitors Centre van Glenfarclas werd verbouwd voor de komende stroom zomer-toeristen.
De rondleiding was van beter kaliber. Omringd door de weeige lucht van gisting sjokten we het hele complex door. De mout-silo's, de waanzinnig grote gistingstanks, opslag van de wort en de koperen distilleerketels. En dan de enorme loodsen waar de smerige gedistilleerde alkohol ligt te liggen. Rijpen, totdat het hout zoveel zachtheid aan 't spul gegeven heeft dat het te zuipen is. Dat dat na acht jaar al aardig het geval was, proefden we later, toen we weer in de ontvangsthal terug kwamen. Sjonge, dat whisky puur zo lekker kan zijn. Nooit meer goedkope rommel kopen dus.
Tenslotte vertrokken we. Waarschijnlijk tot tevredenheid van de twee toeristen-ontvangers, die in snel tempo alles begonnen op te ruimen. Terug bij de Spey volgden we de spoorlijn nog een paar honderd meter en sloegen ons kamp op in een aangrenzend weiland.
Spraakwaterval
Dat 't zo kan sneeuwen! We lopen nu al de ganse ochtend door deze eindeloze sneeuwbui. Dezelfde als die waarin we opbraken. We ploeteren lekker door over het oude spoortalud. Uit de grijs-witte nevel doemen twee figuren op. Rugzakkers? Alweer? Gisteren, na de lunch, waren we tot onze stomme verbazing een backpackend stel tegengekomen. Liepen de Speyside Way en zagen er in onze ogen een beetje zielig uit. Allerlei spul bungelend aan de rugzak. Het meisje ingepakt als een Bedoeïnenvrouw, desondanks niet de indruk wekkend dat ze 't warm had.
Nu dan staan we oog in oog met twee dametjes, twee doorgewinterde ondernemende vrouwen. Ze zijn minstens zo verbaasd als wij. Met name de wat oudere van de twee, die zich direkt ontpopt als een ware spraakwaterval. Haar vriendin moet haar tenslotte meetrekken: "Kom we gaan, want die jongens moeten nog een heel eind, en wij trouwens ook!". De Schotsen liepen de Speyside Way heen en weer. Vandaag van Aberlour naar Ballindaloch en terug!
Wij wilden boodschappen doen in Aberlour, drie ex-stations verder langs de Speyside (rail)way. Die ons wat saai werd, zodat we een paadje naar de rivier insloegen en prompt beloond werden met een fraai stuk lopen over een paadje langs de rivier. De straf voor deze afwijking was dat we ons vastliepen op een onneembare zijbeek, en tussen de huizen van Knockando weer braaf de spoordijk opzochten.
Waterkoud
De lunch vond ook plaats op het spoor-tracé. Netjes onder een oud bruggetje, dat ons droog had moeten houden. Terwijl het sneeuwen allang opgehouden was. Dat wil zeggen, wat er viel kon je geen sneeuw meer noemen. En dat het onder het viaductje niet droog was, was onze eigen schuld. De fraaie ijspegeltjes die boven ons hingen begonnen flink te druppen. Het was zo verdomd windstil, dat de oorzaak voornamelijk onze eigen uitgestraalde lichaamswarmte, aangevuld met die van de spiritusbrander moest zijn. Niet zo vreemd, want ook naast de brug was het duidelijk: het dooide, en dus regende het. De aanleiding was evident: 's ochtends hadden we beiden laten vallen dat het wel eens tijd werd de langlauflatten op te gaan halen.
Niet alle lunches waren zo water-koud als deze; en ook niet alle lunches werden zo snel opgevolgd door inkopen doen in een lekker warme winkel. Van buiten zag de Spar er bijzonder klein uit, van binnen verbaasde ik me steeds meer over het voor rugzakkampeerders zeer goed gesorteerde assortiment. We deden er lang over, maar wellicht was het het hoogtepunt van de dag. In ieder geval het enige moment dat ik wat opdroogde, daar in de shop. Hoewel de uitnodiging voor een kop koffie van een visser, net buiten Aberlour, er zeker niet voor onderdeed. In het droge hutje van de visclub wisselden we wat woorden met de zalmvisser en keken onderwijl over de kop koffie mistroostig naar buiten.
Oneens
De weeige lucht van distilleerderijen waarde nog rond toen we voor de gesloten Fiddichside Inn stonden, aanleiding voor het eerste en enige serieuze meningsverschil op deze tocht. Eens waren we het over het idee 's avonds deze inn eens van binnen te bekijken. Oneens waren we het over de beste kampeerplek. Ik stelde voor om op het voormalige station van Craigellachie te kamperen, naast de pub, Dionni wilde liever niet langs de weg staan, maar rustiger in het bos verderop langs de route. Op grond van de kaart verwachtte ik daar echter voorlopig geen vlakke pitches te vinden. Tenslotte hielden we vast aan een eerder plan en lieten de Inn voor wat ze was. Voorbij Arndilly House streken we neer op een weiland. Met het redelijke vooruitzicht de volgende dag Spey Bay te kunnen bereiken, beloofden we onszelf daar wel op een pint te trakteren en aten nu 's avonds de rugzak weer wat leger. Onderwijl kletterde de regen gestaag naar beneden.
Dametjes uit Buckie
Alsof we haast hadden. We stormden over de paden Ben Aigan af naar Boat o'Brig. Met een noodgang haalden we een viertal stuntelende dertigers in. 't Rare stelletje liep niet bepaald soepeltjes. Door een regenbuitje haalden zij ons weer in: wij moesten de regencape omgooien. Eigenlijk hadden we best gemazzeld. Tot een uur of negen 's ochtends hadden we het gerikketik van een vrijwel continue nachtelijke regenbui aan moeten horen. Daarna werd het zo droog dat we zelfs de regencape in de rugzak gestopt hadden. De blauwe lucht voor ons, boven de Moray Firth, beloofde aanhoudende opklaringen voor de rest van de dag. Op de flanken van Ben Aigan, de laatste heuvel van formaat voor de kust, hadden we dit vooruitzicht bewonderd. Het noordelijke puntje van Schotland leek een 'hoog' boven zich te hebben. We keken over de Moray Firth recht tegen een hele serie besneeuwde bergen aan. Ben Wyvis, beweerde ik, als schijnbare Schotland-kenner. Kan niet, toonde Dionni aan, die ligt veel te zuidelijk. Moet Ben Klibreck zijn. (Thuis herzag ik ook die bewering. Het waren Scaraben, Morven en andere toppen bij Helmsdale aan de kust.)
Bij ons was de lading sneeuw in één nacht verdwenen. 's Ochtends waren we gewoonweg in de modder ontwaakt en sierde een grote koeienflats de entree van Dionni's tentje. Weer ouderwets genieten van een partij klei die je angstvallig overal vanaf probeert te houden. Even voorbij Boat o' Brig kwamen we ze weer tegen. De dametjes uit Buckie. Precies wat we vermoed hadden. Op de flanken van Ben Aigan hadden we in het bos een stuk of acht paar voetstappen geteld in de laatste restjes sneeuw. En inderdaad waren onze dametjes 's ochtends vroeg in de stromende regen uit Aberlour vertrokken. Ze waren beide zeer verrast en begonnen enthousiast te praten. Een echt gesprek was er niet bij, het was puur eenrichtingsverkeer. Achteraf gezien was het wel perfect getimed. Na de ontmoeting begon een saai stuk asfaltlopen, 5 km lang, waarvan ik me niets meer kan herinneren. Ik liep lekker op met de wat kalmere van de twee en kletste wat over achtereenvolgens wandelen, wandelroutes, privé-bezit, politiek en al gauw over alle wereldproblematiek. Bij sommige mensen (zoals ik) een vrij logische opeenvolging van met elkaar verband houdende onderwerpen. Dionni had zich gelukkig opgeofferd om het spraakwaterval te onderhouden. Later vernam ik dat dat niet meer inhield dan voor wandelende praatpaal spelen. Desondanks was het heel gezellig.
Na een steil zijdalletje van de Spey overgestoken te zijn, werden we naar het 'Earth Pillar Viewpoint' geleid, zijnde een fraaie plek om te lunchen. De Spey heeft hier een 30 meter hoge klif op zijn geweten, waarop ook 'earth pillars', een soort torentjes van leem. Echt mooi zagen we ze pas twee dagen later, op een ansichtkaart genomen vanaf de overkant van de rivier. We lunchten er inderdaad, al was het wat winderig. We moesten het hebben van de schitterende uitzichten stroomop- en stroomafwaarts en het nu en dan schijnende zonnetje. Onze vriendinnen vertrokken al snel, vanwege de kou, met het idee dat we hen wel weer zouden inhalen. Het was de laatste keer dat we hen zagen.
Piepschuim
's Middags werd het echt mooi. Droog weer en lekker 'riverside-walking'. Eindelijk van het asfalt af en via achtertuin-paadjes door Fochabers. Van het stadje zelf dus weinig gezien. Het officiële pad vond het nodig nog een stuk B-weg te volgen, maar wij vertikten het en volgden een dijkje door de bossen langs de Spey. Het dijkje werd langzamerhand hoger en het aantal rivierarmen breidde zich uit. We naderden de brede Spey-monding, en het wandelen werd erg on-Schots. Langs een dijkje van een vlakke polder, door een zeedennenbos heen met daaromheen overal bloeiende gaspeldoorn en brem. De route lieten we af en toe liggen om - veel avontuurlijker - de rivier zo nauwkeurig mogelijk te volgen. Vastlopen op een diepe oude rivierarm zat er geheid in. Het pad dat we volgden eindigde op een grote kiezelbank, geflankeerd door zo'n beginnende arm. Van hier af aan werd het doorsteken, hetgeen wegens de dichtheid van het struikgewas onbegonnen werk was, of gewoon op onze voetschreden terugkeren. Voor dat laatste konden we altijd nog kiezen, bovendien was dat zonde. Met de oude spoorbrug, die hier het zicht geheel domineerde, op nog geen kilometer afstand, moest het toch mogelijk zijn het stippelpad op de kaart te bereiken dat naar de voet van de brug leidde.
Ieder voor zich verkenden we de omgeving en besloten toen een oude oeverwal te volgen, die tekenen van padvorming vertoonde. Een paar honderd meter later leek een pad naar rechts te voeren en stuitten we even later op een oude rivierarm. En wel precies daar waar hij op zijn smalst was, en zo te zien slechts een halve meter diep. Oversteken was kinderspel, zeker omdat toevallig ook een groot stuk piepschuim in de buurt dreef. Dat stuk was net dik genoeg om een onder water liggende steen op te hogen tot een plek met een voor onze bergschoene acceptabele diepgang. Een terplekke groeiende struik met handvat maakte de oversteek voor iedereen haalbaar.
Viespeuken en mafketels
Tevreden sjokken we de laatste kilometer naar de kust. Een rij huizen steekt scherp af tegen de fraaie cumulonimbus-wolken boven zee. We lopen het kiezelstrand op waarvan het lijkt alsof het getijdenverschil hier minimaal is. De Spey heeft steeds ook weinig invloeden van de zee laten merken. Hij stroomde altijd even hard, tot fietssnelheden toe. We vieren het bereiken van de kust met een 'high tea' in het Spey Bay Hotel. Tussen de gegoede klasse die nog nababbelt over hun zondagse golf-partij, smeren wij viespeuken dik boter en jam op onze 'scones'. Het soort jam dat je anders van je leven niet zou eten. Van onze twee dametjes ontbreekt elk spoor, helaas. Met een plens water in de waterzak en in de buik sjokken we terug naar een reeds gesignaleerde kampeerplek. Het kamperen begint gelukkig weer wat aangenamer en droger te worden, na de kliederzooi van de laatste paar dagen.
Op weg naar de beloofde pinten van Spey Bay, scheurt ons een Mini voorbij. Het blijken buiten ons de enige gasten in de bar van het hotel. Alle golfers zijn vertrokken, de grote balzaal is slechts bevolkt door het stelletje en wij tweeën. Een sfeertje om nooit te vergeten. Zo onwaarschijnlijk saai, al die vies-bruine lege fauteuil-stoelen in een halfdonkere ruimte, waar de flitsen en geluiden van de 'achtergrond-teevee' het enige levende element leken te zijn, zó saai, dat het toch weer bijzonder werd. Af en toe een opmerking van het pool-biljartende 'happy couple' als gemompel in een lege kerk. De hotel-eigenaar, die van de weeromstuit op zo'n drukke zondagavond alle whisky-flessen maar gaat bijvullen. En als toeschouwers van het geheel, twee smerig uitziende, op vuile sokken rondlopende, ongeschoren Hollanders, die de kat uit de boom kijken en een onverstaanbare taal smiespelen. Rustig observerend, een aantal glazen bier wegwerkend, de hele avond genieten. Ongelooflijk, wat een stel mafketels bij elkaar aan het eind van de wereld in Spey Bay!
Als het stel vertrekt, omdat ze voor de vierde keer van het biljartapparaat geen ballen voor hun muntje krijgen en alweer de hotelbaas erbij moeten roepen, verdwijnt ook het merendeel van de aparte sfeer. De ene stamgast die nog even in een kwartiertje wat whisky komt wegspoelen heeft te weinig bekoring. En om onszelf lachen, waar op zich reden genoeg voor was, doen we liever buiten in het maanlicht. Met alweer een water-pens sjouwen we nog na-gniffelend terug naar de tenten.
8.2.3 Westelijke hooglanden
Morvern, Ardnamurchan, Ardgour en Moidart - Morar - Knoydart - Kintail - Affric
Meerdaagse tochten - Dagtochten - Kaarten, gidsen en literatuur
De Schotse westkust heeft een eigen charme. Voor de echte liefhebbers van verlaten gebieden ligt hier een prachtige wereld van bergen, meren en de zee. De eindeloos lange kustlijn is op de meeste plaatsen slechts te voet te bereiken; er lopen maar een handjevol hoofdwegen. De structuur van de dalen is overwegend oost-west. Een noord-zuid route is zodoende alleen weggelegd voor reizigers te voet. Een dergelijke tocht, dwars op de structuur van het gebergte, betekent onvermijdelijk dat je enkele passen over moet steken. Maar er zijn voldoende paden om zo'n schitterende tocht te maken.
Je bent hier zonder meer in het natste gebied van Groot Brittannië. Alles wat vanaf de Atlantische Oceaan aan depressies komt aanzetten, botst als eerste tegen de hoge toppen van de westelijke hooglanden. Daarbij is het goed te weten dat er enorme plaatselijke verschillen in neerslag zijn. Meestal valt er op plaatsen aan de kust slechts de helft van wat er meer landinwaarts op en tussen de bergen valt. Bij aanhoudend slecht weer is een vlucht naar een dorpje aan zee vaak een uitkomst.
Ten zuiden van de spoorlijn naar Mallaig ligt een groot aantal gebieden die in verhouding tot de overige hooglanden nogal laag zijn. In Morvern, Ardnamurchan, Ardgour en Moidart is bijvoorbeeld geen enkele Munro te vinden. Ardnamurchan is de meest westelijke punt van het Schotse vasteland en lijkt veel op een van de eilanden. In deze streken is bijna geen toerist te ontdekken. Ze laten het links liggen en richten zich op de kust bij Mallaig en Skye.
Tussen de twee spoorlijnen die naar de westkust lopen ligt het mooiste stuk van de westelijke hooglanden. Alleen de A87, de grote weg naar Skye, snijdt het gebied in tweeën. Enkele kleine (privé-)weggetjes lopen door de grote oost-west dalen en eindigen bij een landhuis aan een van de grote meren. Verder is het een paradijs voor rugzakkampeerders.
Morar is het achterland van Mallaig. Het wordt in tweeën gehakt door het diepe Loch Morar, dat een zeearm had kunnen wezen. Weinigen weten dat dit meer een lotgenoot van het monster van Loch Ness schijnt te bevatten: 'Morrie', eveneens gehuld in mysteries.
Het meest afgelegen Schotland vind je in Knoydart. Hier aan de kust ten noorden van Mallaig ligt Inverie, het enige dorp op het Schotse vasteland dat niet met de auto te bereiken is. Wel met de postboot vanuit Mallaig, en uiteraard te voet door het woeste landschap van Knoydart. Zo'n tocht moet je niet onderschatten; je zult niet de eerste zijn die in na flinke regenval voor onoverkomelijke rivieren komt te staan. Enkele bothies rondom de machtige piek van Sgurr na Ciche (1040m) kunnen dan uitkomst bieden.
Noordelijk van Knoydart ligt Kintail, bereikbaar met de A87 door het imposante Glen Shiel. Dit prachtige gletsjerdal ligt volledig ingesloten tussen twee machtige bergruggen met toppen boven de 1000 meter. De Five Sisters, vijf piekjes aan het eind van het dal, zijn hiervan het meest bekend. Shiel Bridge, met het beroemde Kintail Lodge Hotel, is een gerenommeerd uitgangspunt voor het beklimmen van de steile bergen van Kintail.
De hoogste toppen ten noorden van de 'Great Glen' liggen in Affric. Carn Eige (1183 m) spant de kroon, maar is door de ronde vormen vergeleken bij de toppen van Kintail een saaie berg. De noordelijker gelegen Lapaichs zijn beter. In de omgeving van deze toppen kun je zelfs in de zomer een volle dag rondlopen zonder ook maar één enkel mens gezien te hebben.
De drie grote dalen die het gebied doorsnijden Glen Strathfarar, Glen Cannich en Glen Affric staan bekend om hun schoonheid. De dalen, met name Glen Strathfarar, hebben nog opvallend veel natuurlijk loofbos. Helaas zijn de drie dalen allen gedeeltelijk gevuld met stuwmeren en de bijbehorende waterkrachtcentrales.
In het gebied is gelukkig geen enkel lange afstandspad uitgezet. Ik vind dat hier in Schotland overbodig. Mensen die hier een meerdaagse tocht willen maken moeten genoeg ervaring hebben om zelf met een kaart een route te kunnen plannen.
Een van de populairste dagtochten voert je vanuit Shiel Bridge naar de prachtige watervallen van Glomach. Voor de terugweg zijn er twee alternatieven. In de omgeving van Kintail zijn overigens meerdere niet te zware dagtochten te maken. Van de drie grote dalen heeft Glen Affric de beste mogelijkheden voor het maken van eenvoudige rondtochten door de bossen. Bij Affric Lodge begint een natuurpad. Een rondwandeling door het mooiste dal, Glen Strathfarar, kun je maken vanuit Struy aan de A831.
De meeste hoge bergtoppen in de westelijke hooglanden zijn niet gemakkelijk te bereiken. Uitzonderingen zijn de Five Sisters in Kintail en andere toppen aan weerskanten van de A87 door Glen Shiel. De A830 en de spoorlijn naar Mallaig maakt enkele hoge toppen van Moidart, zoals Rois Bheinn, bereikbaar vanuit de stations van Glenfinnan en Lochailort. Voor vele hoge toppen van Affric is de eenzame jeugdherberg van Glen Affric een ideale uitvalsbasis.
Er zijn geen speciale kaarten van het gebied. Behalve de SMC-gebiedsgids zijn er nog andere gidsjes te vinden.
8.2.4 Noordelijke hooglanden
Torridons - Slioch en An Teallach - Fannichs - Deargs - Coigach en Assynt - Wrath - Caithness
Meerdaagse tochten - Dagtochten - Kaarten, gidsen en literatuur
In de noordelijke hooglanden liggen wellicht enkele van de meest spectaculaire stukken Schotland. Kenmerkend voor het noorden is dat het bergland hier veel ruimer wordt. De voortdurende afwisseling tussen berg en dal die in de andere drie gebieden nogal overheerst is hier verdwenen. Hoe verder je naar het noorden gaat, des te meer vlaktes kom je tegen. Sommige bergen zijn uitgevlakt tot lagere heuvels, maar wat het meest in het oog springt zijn de bergen die zijn gebleven. Het onverwacht oprijzen van een enorme klomp steen in het relatief vlakke land heeft een dramatische uitwerking op het landschap. Zo'n bult hoeft dan nog niet eens zo heel erg hoog te zijn om het imago van een machtige berg te verwerven.
Wat echter voor de westelijke hooglanden geldt, gaat voor de noordelijke hooglanden evenzeer op. De afgelegenheid van sommige streken stelt veel eisen aan jezelf en je uitrusting.
De Torridons staan bekend als prachtige steile bergen, vooral onder bergbeklimmers. Het meest typerend is dat het allemaal losse bergen zijn, ondanks hun onderlinge nabijheid. Ze bestaan uit Torridonian Sandstone, een hele oude zandsteen waar vele bergen in de noordelijke hooglanden uit zijn opgebouwd. De berg Beinn Eighe valt bovendien op door het maagdelijk wit op de top van de berg: een fraaie laag kwartsiet. De omgeving van de berg is een natuurreservaat.
Aan de andere zijde van het langgerekte Loch Maree liggen Slioch en An Teallach. Een stel schitterende bergen omgeven door ruime diepe dalen. Het hele gebied is een groot landgoed met een fantastische padenstructuur. Sommige daarvan zijn zo mooi aangelegd dat je er over zou kunnen fietsen. An Teallach is een van de machtigste bergen van het noorden, met prachtige haaietanden op de top.
Meer landinwaarts kom je in de Fannichs, de bergen rondom het stuwmeer Loch Fannich.
Het grootste aaneengesloten berggebied van het noorden zijn de Deargs, ten noorden van de weg naar Ullapool, de A835. Woeste bergen, waar enkele dalen ver binnendringen. Restanten van vroegere bewoning zijn aanwezig in de vorm van een viertal bothies. Naar het oosten toe ligt de Ben Wyvis, een geïsoleerde berg die ondanks zijn hoogte een plompe indruk maakt en een uiterst vlakke top heeft.
Noordelijk hiervan wordt het land echt weids. Aan de westkust vallen de bergen van Coigach en Assynt ongetwijfeld op. Een reus heeft hier een aantal gigantische steenklompen in het land gegooid. Zelfs de laagste van het stel, Stac Polly, heeft met zijn hoogte van net boven de 600 meter een fabelachtig uitzicht over het vreemde omliggende land van bultjes en meertjes. Suilven is wel de meest populaire berg, de Matterhorn van Schotland. Twee natuurreservaten liggen in het gebied.
De bergtoppen rondom de Ben More Assynt vormen het meest mysterieuze landschap dat ik ken in Schotland. Assynt komt van ass, het Noorse woord voor rotsig, en is een goed gekozen naam. De berg zelf bestaat uit grijswitte rots die 's avonds de kleur van de zonsondergang aanneemt. Het gebied achter de berg is een echte beproeving voor wandelaars. Rots en veen maken het erg onherbergzaam. Hier ligt de moeilijk bereikbare hoogste waterval van Groot Brittannië. Door het gebrek aan referentie gaat de grootsheid van de waterval helaas geheel verloren in het landschap.
Tot aan Cape Wrath, meest noordwestelijke punt, zet het weidse landschap met verspreide eenzame hoge bergen zich voort. Ben Hope is de meest noordelijke Munro.
Naar het oosten kom je in Caithness en vlakt het landschap erg uit. Alleen rondom het toeristische puntje John o'Groats ligt een welvarend agrarisch gebied. De overige vlaktes bestaan uit eindeloze venen, om te wandelen mijns inziens echt ongeschikt en af te raden.
Uitgezette routes zijn in dit ruige land ondenkbaar. Het lopen van een zelf-bedachte noord-zuid route langs de schitterende bergen aan de westkust is een behoorlijke onderneming en een onvergetelijke ervaring.
Kinlochewe is een aardig startpunt voor dagtochten. Vlakbij liggen een uitgezette Mountain Trail en een natuurpad. Een suggestie voor een stevige rondtocht door de dalen is via Heights of Kinlochewe naar Lochan Fada en door de fraaie kloof Bianasdail terug.
Aan de oostkust zijn veel relatief eenvoudige wandelingen door de bossen uitgezet.
Een prachtige bergtocht start in Lochinver via Glencanisp Lodge naar de noordflank van het 'grijze kasteel' Suilven, alwaar een pad steil omhoog voert. Aan de zuidflank gaat eenzelfde pad naar beneden en loppt om Fionn Loch via de watervallen van Kirkaig terug naar de kust bij Lochinver. Behalve de Suilven wordt in het noorden Stac Polly veel beklommen vanaf nabijgelegen parkeerplaats. Moeilijker zijn de pieken van An Teallach (vanuit Dundonell) en de bergen van Torridon zoals de steile Liathach en de wonderschone Beinn Eighe.
De Torridon Mountains worden bestreken door een Outdoor Leisure Map.
Arran - Islay en Jura - Mull - Rhum en Eigg - Skye - buitenste Hebriden - Orkneys en Shetlands
Meerdaagse tochten - Dagtochten - Kaarten, gidsen en literatuur - Tochtverhaal
De eilanden voor de westkust van Schotland hebben veel van de magische Schotse sfeer. Kraakheldere lucht, wind, zee en bergen bepalen het landschapsbeeld. De heldere luchten en fraaie zonsondergangen, zo kenmerkend voor de Schotse westkust, zijn hier op hun best. De zee speelt een enorme rol, zowel als bestaansbron voor de bewoners van de eilanden, als in de weersinvloeden.
Geen twee eilanden zijn hetzelfde in Schotland. Zelfs eilanden die naast elkaar liggen en in een adem genoemd worden vertonen soms hemelsbrede verschillen. Zoals Islay en Jura, de eerste een relatief vlak eiland met veel bevolking, de tweede een ruig eiland met hoge bergen.
Overeenkomsten zijn er ook aan te geven. Alleen al geologisch zijn Arran, Mull, Rhum en Skye aan elkaar verwant, aangezien ze bestaan uit vier oude vulkanen die in het Tertiair aktief zijn geweest. De gesteenten op de vier eilanden zijn dan ook vulkanisch van oorsprong, voornamelijk graniet. Een vergelijkbare vulkaan heeft overigens op Ardnamurchan op het vasteland gelegen.
De buitenste Hebriden en de Orkneys & Shetlands behoren tot de oudste stukken van Schotland met gesteenten uit het Precambrium. Een geoloog zou zeggen dat het oud en weinig geplooid tafelland is. Alleen Harris heeft bergen van formaat.
Bijgevolg is ook niet elk eiland even interessant als wandelgebied. Vooral de eilanden met enig bergland en fraaie kusten zijn in mijn ogen de moeite van verkenning waard. De minder ruige eilanden zijn over het algemeen veel vruchtbaarder en dus gecultiveerder. Ik laat deze eilanden hier dan ook buiten beschouwing.
Arran is het vakantie-eiland voor de inwoners van Glasgow. Het eiland heeft zowel de kenmerken van de hooglanden als van de Schotse 'lowlands' in zich. Je leest er meer over in mijn tochtverhaal.
Van het duo Islay en Jura, is Islay een relatief vlak en vruchtbaar eiland. Jura is daarentegen een prachtig ruig eiland. Alleen langs de oostrand loopt een smal weggetje met af en toe wat spaarzame bebouwing. Verder is het eiland verlaten en eigendom van de vele kuddes herten, die hun (Noorse) naam aan het eiland gegeven hebben. Beroemd zijn de zogenaamde 'Paps of Jura', drie schitterende piekjes van bijna 800 meter hoog, de whisky-distilleerderij en het huis waar Orwell zijn '1984' schreef.
Een van de grotere eilanden is Mull. In feite is het een voortzetting van het Schotse vasteland van Morvern. Het eiland wordt hiervan gescheiden door de zeestraat 'Sound of Mull'. Munro-verzamelaars kennen het eiland vanwege Ben More, de hoogste top van het eiland. Behalve enkele hoge toppen zijn de fraaie klifkusten en zeezichten de grootste attractie van Mull. Het tegen Mull aan liggende eilandje Iona staat bekend als de plaats waarvanuit het christendom zich over Schotland verspreid heeft.
Rhum en Eigg zijn twee eilanden die niet met een vaste bootverbinding te bereiken zijn. Eigg is een spaarzaam bewoond eilandje en Rhum is een vrijwel onbewoond natuurreservaat, waar toestemming om het eiland te verkennen en er te overnachten noodzakelijk is. Op zich is dat zeer de moeite waard, want het is een wonderschoon eiland met bergen tot boven de 800 meter. Twee afgelegen bothies maken het zelfs mogelijk om er zonder tent te overnachten.
Van alle Schotse eilanden is Skye kampioen. Het is veruit het grootste en bekendste eiland, en heeft alle eigenschappen van de eilanden in zich verenigd. Op dit 'eiland van de mist' kan het weer binnen enkele uren veranderen. Skye staat in elk geval bekend als het eiland waar je 's ochtends in de zon de bergen op gaat, en voor de middag al overvallen wordt door regen en mist. In die veranderlijkheid zit meteen de charme: het plotseling optrekken van de mist en de doorbraak van priemende zonnestralen op de bergen en de zee vormen een grandioos schouwspel.
De Cuillin Hills op Skye zijn misschien wel de ruigste en moeilijkste bergen van Schotland, al doet hun naam anders vermoeden. De pieken van de Cuillins, de 'Sgurr's' zijn voor een wandelaar nauwelijks te behappen, sommige toppen zijn gewoonweg niet te bereiken zonder enkele stukjes serieus klimwerk. Voor de Munro-verzamelaars vormen de Cuillins daarom vaak een probleem. Het blijven echter fantastische grillige bergen, recht uit zee tot boven de 1000 meter.
Naast bergland kent Skye ook andere landschappen. Het centrum van het grillige eiland bestaat voornamelijk uit lage heuvels met uitgestrekte venen. In het noorden, op Trotternish, ligt weer een bergrug van betekenis, maar in het zuiden ligt een punt die bekend staat als de tuin van Skye, vanwege de weelderige plantengroei. Evenals Mull heeft Skye een lange kustlijn waarin kleine fjorden, baaien en zandstrandjes afgewisseld worden met woeste kliffen. Grote delen van deze kustlijn zijn totaal verlaten en vormen uitstekende plaatsen om de enige bewoners, de vogels, te bewonderen.
De Brit noemt bovengenoemde eilanden de binnenste Hebriden, om ze te onderscheiden van de buitenste Hebriden, die op grotere afstand van het Schotse vasteland liggen. De geïsoleerde ligging heeft het Keltische karakter van de eilanden perfect bewaard. Gaelic is hier de eerste taal.
Van deze rij eilanden zijn Lewis & Harris het hoofdeiland. De twee namen suggereren twee eilanden, maar de twee delen vormen gewoon één eiland. Lewis is het meest bewoonde eiland met de hoofdplaats Stornoway en enkele vissersdorpen aan de westkust. Het is een onherbergzaam kaal land met ontelbare meertjes, waar de verbazingwekkend gave stenen cirkel van Callanish de enige interessante plaats is. Harris is het bergachtige deel van de twee en daarmee het meest aantrekkelijk om te voet te verkennen.
De zuidelijke eilanden, North Uist, Benbecula, South Uist en Barra zijn vreemde eilanden met prachtige zandstranden, onmogelijk kaal veenland met soms meer water dan land, en af en toe een paar losse heuvels en bergen.
Tenslotte de Orkneys & Shetlands.
De Orkney eilanden zijn gemakkelijk bereikbaar met een veerboot vanaf het noordelijkste punt van het Schotse vasteland. Op het eilandje Hoy na zijn het agrarische eilanden, waar men zich met de veeteelt bezighoudt. Als er een reden is om de Orkneys te bezoeken, dan zijn het de ontelbare prehistorische overblijfselen. Verder is het een paradijs voor vogelaars.
Voor de Shetland eilanden geldt dit nog sterker. De eilandengroep, die alleen via de Orkneys, vanuit Aberdeen of vanuit Noorwegen te bereiken zijn, bestaat net als de buitenste Hebriden uit kale woeste grond, waar de Shetland ponies en schapen rondzwerven. De vreselijk grillige kustlijn van de eilanden is de voornaamste natuurlijke attractie van de eilanden: rustige baaien en wilde kliffen, bezaaid met zeevogels. Het verschil met de noordelijker gelegen Far Oer eilanden is niet zo groot meer.
De enige eilanden die zich volgens mij goed voor een meerdaagse tocht lenen zijn Arran, Jura, Mull, Skye en Harris.
Op de meeste eilanden is hen verblijf van slechts één dag zonde van de moeite. Alleen op Rhum zijn enkele dagwandelingen uitgezet voor de mensen die er slechts een dag mogen blijven.
Op de grote eilanden zoals Mull en Skye zijn een aantal ruige klifwandelingen te maken. De grootste aantrekkingskracht zijn de bergtoppen. De Munro's van Mull (Ben More) en Skye (Cuillin Hills) zijn unieke bergen met onvoorstelbare uitzichten. De vulkanische rots bezit magnetische eigenschappen, waardoor je kompas totaal van slag kan raken en onbetrouwbaar wordt. Ben More is in tegenstelling tot de Cuillins niet te moeilijk voor wandelaars. Op Arran kun je de toppen van Goat Fell en Cir Mhor aflopen van Brodick naar Sannox. De bus brengt je terug.
Evenzo kun je de Paps of Jura in een dag overwinnen.
Van de Cuillin Hills op Skye bestaat een Outdoor Leisure Map, die je daar ook wel nodig hebt. Van Arran is een Harvey Mountain Map. Voor de rest moet je het met de 1:50.000 doen.
Literatuur
Een schrijver die de sfeer van de Schotse eilanden goed heeft weten te vangen is D. Cooper. Twee van zijn boeken, 'Sunrise' en 'Dead of winter', spelen zich af op fictieve plaatsen en beschrijven het harde leven van de plaatselijke bewoners.
Hyde Park op zondag. Ik sla het schouwspel bij Speakers Corner gade. Demagogen op een leeg bierkrat of een trapje, met een verzameling mensen er om heen die niet geheel afkerig zijn van hetgeen de 'speaker' te vertellen heeft. Met een half oog houdt ik het verkeer in de gaten. Mijn ouders zijn vandaag ook op vakantie gegaan en hun gebruikelijke route voert dwars door London. Ik geloof mijn ogen niet als het Renaultje even later voorbijflitst.
Een fish & chips later sjouw ik naar Euston voor de nachttrein naar Glasgow. Dat de trein een hele nacht over het traject doet, komt vooral doordat hij op sommige stations hele tijden stil blijft staan. Als ik om een uur of zes definitief wakker wordt geloof ik dat ik alle tussenliggende stations wakker ben geweest. Het station van Glasgow is niet de meest gezellige plaats voor een summier ontbijt om zeven uur 's ochtends. Het is er kil en vochtig. De aansluiting naar Ardrossan laat nog even op zich wachten.
Ettelijke clubleden klimmen met mij de loopplank op van de boot naar Arran, een eiland zo groot als Texel. In een uurtje vaart het naar Brodick, het hoofddorp van 'little Scotland'. Op het kleine eiland tref je namelijk alle kenmerken van Schotland aan. Bij aankomst merken we dat het echt 'klein Schotland' is: het is mistig en het regent. Als je je er op hebt ingesteld moet het wel meevallen, denk ik. Enkele boodschappen in het dorp stellen de vuurdoop nog even uit. Dan sjouw ik netjes achter m'n drie vrienden aan het dorp uit. Glenrosa Water buldert onder de brug door waarmee we het landgoed van Brodick Castle betreden. De 'standing stones' - prehistorische rechtopstaande stenen - in de graanvelden naast het pad, vallen me amper op. Ik ben geheel ingenomen door de spannende vraag hoe dit eerste bergwandelavontuur zal aflopen. Thuis heb ik alles mooi doordacht, maar hier in de praktijk blijkt na een uurtje dat alles anders uitpakt. De regencape is alleen lang genoeg bij windstil weer, wat hier nooit voorkomt. Nu waait de regen er lekker onderdoor en word ik tot aan mijn kruis nat.
Grijze waterdamp
's Avonds is het droger en sta ik voor mijn tent over de relatief vlakke zuidelijke helft van het eiland te kijken. Nu de tent eenmaal staat is een groot deel van de spanning verdwenen. Of het komt door Peter, die zo onhandig met zijn tent stond te klungelen, dat ik me ineens heel comfortabel voelde. Ik begin de schakeringen grijs in het land te waarderen. Achter me scharrelen slierten grijze waterdamp tegen de massa van Goat Fell omhoog.
Zo ook wij, de volgende ochtend. De steilte van het pad neemt snel toe. Hogerop treffen we nog een clublid, net bezig zijn tentje in te pakken. Evenals wij heeft hij goed gegokt. Het is een stralende dag geworden, de zon zal spoedig de laatste sluiertjes van de berg doen optrekken. Bij mij is het pure wilskracht die me tegen de laatste venijnige klim omhoog trekt. Tussen de rotsformaties op de top blazen we uit. De zee schittert ons tegemoet. Het uitzicht op Brodick Bay met daarachter de steile bult van Holy Island is met geen pen te beschrijven. Maar gedreun verstoort de rust en trekt onze aandacht. Beneden ons trekt een marineschip een cirkel en gooit dieptebommen uit.
Reuzentroon
In de zon, 800 meter boven de wereld, smeer ik de eerste crackers van de week. Het zijn rotcrackers, ze breken allemaal. Niet dat het deert, want zo lunch je niet elke dag. Achter ons het Schotse vasteland, vóór ons een stukje Arran, zee en Mull of Kintyre. Passerende wandelaars blijken landgenoten te zijn en bovendien mensen met wie Jan een paar weken geleden in een buitensportzaak uitgebreid over Schotland heeft staan praten. De wereld van Goat Fell. Het verhaal gaat dat hier vroeger al toeristen kwamen om de gezonde melk van de wilde geiten te drinken. Nu komen ze om golf te spelen en te wandelen.
Een dag later wordt een oververhitte hardloper van de berg gehaald, gestrand in zijn poging het record Goat Fell beklimmen te verbeteren. Wij doen het wat rustiger aan. Dalen naar 'the Saddle', de pas tussen Glen Sannox en Glen Rosa, contouren om Cir Mhór heen en lopen het verbluffende pad over Beinn Tarsuinn en Beinn Nuis af. Lopen? Het is klimmen, af en toe met meer dan twee ledematen klauteren over de vulkanische rotsen en dan weer in de vrijloop over gras of heide. Het toppunt is het natuurlijke poortje bovenop Beinn Tarsuinn. André, met zijn hoog opgeladen frame-rugzak, moet er bukkend onderdoor.
Onder Beinn Nuis zien we een kom, een kampeerkom. De dalwand van het machtige Glen Iorsa heeft een instulping en daar kamperen wij. Het is een reuzentroon. De tentjes van ons, kabouters, hebben we vastgeprikt op het verende kussen. We koken en eten buiten in de avondzon, en turen naar Kintyre met daarachter aan de horizon Noord-Ierland. De kompassen worden gepakt voor een plaatsbepaaloefening en het lokaliseren van al het schoons wat we zien.
Graspollen
Iorsa Water is slechts drie decimeter diep. Halverwege de koude stroom kijk ik op. Dit is waarschijnlijk het mooiste glaciale dal dat ik ooit gezien heb. De volkomen vlakke dalbodem is een halve kilometer breed en daar doorheen meandert Iorsa. Enorme beige zandbanken glinsteren vanwege de hoeveelheid kristallen. Aan de overkant van het strand gaan de schoenen weer aan. We beginnen aan de snelste kilometers van de week: over het vlakke pad langs het boothuis aan het Iorsa-meer. Na de lunch gaat het niet meer zo snel. De zon brandt in het dal, waar de lucht stilstaat en niet voor afkoeling kan zorgen.
Het is ploeteren door een graspollen-land. Je kunt kiezen uit twee kwaden. Of je loopt op de pollen en riskeert een verzwikte enkel, wanneer een pol verkeerd onder je voet wegdraait, of je stapt tussen de pollen door en wordt doodmoe van het optillen van je voeten. Er is maar één oplossing. Zo snel mogelijk dit Glen Scaftigill uit. Jan en André klimmen hoger op de helling, net uit het zicht. Als we weer bij elkaar komen wordt ik vriendelijk bedankt. Ja, voor het opjagen van die herten. Herten? Geen hert gezien. Blijk ik een kudde dusdanig aan het schrikken te hebben gebracht, dat ze vlak langs Jan en André zijn gerend. De dia's bij thuiskomst vormen het bewijs.
Eentonig grijs
Ook wij schrikken ons wild. Goed en wel de tenten opgezet aan het meer Dubh Loch, in de pas onder Beinn Bhreac, komt me daar een jachtvliegtuig een laagvliegoefening houden. Scheert op twintig meter over onze tenten heen! Tijd om de mond open te zetten hebben we niet, de knal is onvermijdelijk oorverdovend. Je doet er weinig tegen.
Had Jan 's avonds al op de windveren gewezen, ik ben 's ochtends toch verrast door de weersomslag. De wind hamert op de tent, al dan niet in combinatie met striemende regenvlagen. Voor me ligt niet het uitzicht op de kampeerkom van een nacht eerder, maar eentonig grijs. De wereld is flink gekrompen. Kompasoefening is nu gewoon noodzaak. Jan begint met een ietwat verkeerde koers uit te zetten en wanneer we dat ter hoogte van het einde van Loch Tanna merken, gaan we rigoreuzer te werk. Richten het kompas op het niet te missen Loch na Davie, aan het daleinde van Glen Iorsa. Wat wel betekent dat we dwars op het reliëf gaan lopen en drie heuvels moeten nemen. Een spannende tocht.
Urenlang ploeteren we voort, over rotsblokkenvelden en diepe heide. Kompas richten, een markante steen of heidestruik kiezen en zonder deze uit het oog te verliezen er heen lopen. Dat mijn broek doorweekt is vergeet ik volledig, het lopen en koers houden vergen alle concentratie. André is hekkesluiter en peilt steeds met zijn kompas of ik inderdaad de goede koers vasthoud. En plots doemt het meer op uit de mist. Hoewel het ons doel was, ben ik stomverbaasd dat we er zijn gekomen. Hier begint een pad door het dal van Easan Biorach naar de kust bij Lochranza. Onderweg stapt Jan nog een keer tot over zijn knieën in een zompig stukje veen.
Lauwe thee
We staan aan de kust, iets voorbij een golf-terrein. Het hele eiland heeft in totaal 8 'golf courses' om te voldoen aan de vraag van de vele toeristen uit Glasgow. Ons veldje lijkt ook op een golf-veld, maar aan de keutels te zien wordt het gemaaid door schapen. De zon schijnt allervriendelijkst op de tent en biedt gelegenheid om alle natte spullen te drogen. Alles wordt uitgestald op het gras tussen de varens. André gaat badderen in de rivier Sannox. Het lieflijke ochtendje doet de nattigheid van gisteren gauw vergeten. Vanavond hopen we ons weer bij de overige clubleden te voegen, om in de pub van Brodick hun verhalen aan te horen. Kortom, de laatste dagmars.
In korte broeken op weg, door Glen Sannox. Nog geen tien minuten aan het lopen, begint het te spetteren. Potverdorie! Eén voordeel: de droge lange broek zit in de rugzak en kan niet meer nat worden. En de combinatie regencape en korte broek voldoet prima. Maar het blijft niet bij een buitje, nee, we sjouwen het berggebied weer in en daarmee onder de vette wolken. Langs de beek voert het pad omhoog naar The Saddle. Even later gaan pad en beek samen, voor Schotland geen onbekend gegeven. Op het eind klimmen we boven de oorsprong van de beek uit en wordt het echt steil. Op handen en voeten door een kloofje omhoog. Een dalwind bemoeilijkt mijn klauterwerk doordat mijn cape steeds bol gaat staan en ik niet kan zien waar ik mijn voeten neerzet. Ik vertrouw op de aanwijzingen van degene die na mij komt.
Bovenop worden we door de wind gegrepen. Enorme windstoten gieren door Glen Rosa en persen zich over de pas heen. Stevige kletterbuien dwingen ons snel een goed heenkomen te zoeken en met twee andere clubleden die we ontmoet hebben dalen we snel af. Een lunch om op krachten te komen, in een hoekje naast een beekje, wordt vanwege de koude wind al gauw afgebroken. Dan maar lauwe thee, het water wil toch niet koken. Met een noodgang stormen we het dal af en kamperen op de camping van Glen Rosa Farm, aan de rivier.
Stierengehuil
Veruit het gros van de clubgenoten bevindt zich in de pub in Brodick en als wij ons 's avonds ook op weg begeven krijgen we gezelschap. Een jaloerse stier ziet ons voorbijkomen en besluit er achteraan te gaan, niet gehinderd door enig hekwerk: de deur van z'n wei stond wagenwijd open! Wanneer we ons achtervolgd weten zetten we de pas er in, want het asfaltweggetje tussen twee grote hagen kent weinig ontsnappingsmogelijkheden. Zo ook de stier. Tenslotte draait het uit op een wedstrijd 'wie het eerst in Brodick is', die ternauwernood door ons gewonnen wordt. Bij het eerste de beste huis springen we over een hek in het tuintje en zien de verliezer gallopperend voorbijstieren. Poeh! Het beest gaat gelukkig naar een andere pub, want hij slaat rechtsaf. Voorzichtigjes sluipen wij naar ons café en horen in de straten verderop een vreselijk stierengehuil opstijgen. Als we in de pub van het voorval verhaal willen doen, kijken onze Britse vrienden ons aan van: och jee, daar heb je die Hollanders weer.
Wimbledon
Lekker uitslapen. We hoeven niks en doen dan ook niet veel. Pakken pas in als het wat droger is geworden. Eén belofte moeten we nakomen. We waren de 'wholemeal and hot bread shop & salad bowl' nu al drie keer zomaar voorbijgelopen. De laatste keer moeten we er gewoon wat gaan eten, al was het maar omdat zo'n alternatieve zaak op dit eiland een unicum is. De salades blijken inderdaad waanzinnig lekker. Wat te denken van een salade van appels, dadels, bleekselderij en tuinkers!
Als we van het eiland wegvaren klaart het weer op. De zon werpt lichtvlekken op Goat Fell en het uitzicht op de bergen van de noordelijke helft van het eiland is fenomenaal. Ik voel me een beetje bedrogen. Nu we weggaan laat Arran zich ineens van haar zonnige kant zien. De afgelopen twee dagen hebben we dit niet mogen meemaken. Ik snap nu dat ze het 'klein Schotland' noemen, het is er net zo veranderlijk als in de echte hooglanden. Zelfs de strandhuisjes aan het strand van Brodick Bay, die bij aankomst in de grauwheid een trieste indruk maakten, zien er nu in het zonnetje aantrekkelijk uit.
In Ardrossan worden we door Mrs. McCulloch hartelijk verwelkomd. In haar 'Villa Marina' hadden we een Bed & Breakfast gereserveerd. Na zo'n week zijn we wel toe aan een luxe overnachting. We hebben heel wat spullen te drogen. Nadat we onze smerige lijven in het rose bad met een rose washand hebben afgesopt en afgedroogd met een rose handdoek, nestelen we ons voor de kleurentelevisie. Die rare Britten zenden de Wimbledon-finale 's avonds nog een keer helemaal uit voor diegenen die het overdag niet hebben kunnen zien. Björn Borg won.