Hoofdstuk 6. De kustgebieden
Zuidwest-kust - Gower - Pembrokeshire - Anglesey & Lleyn - Isle of Man - Northumberland - Norfolk - Isle of Wight - Waddenkusten en overige
Sinds John Merrill in 1978 zijn monster-voettocht langs de hele kustlijn van Groot Brittannië maakte, weten we dat je in principe overal op het Britse eiland te voet de kust kunt volgen. Niet dat het overal even mooi is, of even gemakkelijk. Maar toch, het lopen langs de kust heeft iets bijzonders. Op de Britse eilandbewoners heeft de kust altijd al een grote aantrekkingskracht uitgeoefend. Dat is niet vreemd voor een land waar de afstand tot de zee nergens groter is dan 100 kilometer. De Engelsman heeft iets met de zee, en dat blijkt ook wel uit de vele steden aan de kust, de dorpjes van weekendhuizen en de typisch Britse gewoonte om de auto op een parkeerplaats aan zee te zetten en dan achter de autoruit naar de zee te staren of de krant te lezen. De sportiever aangelegde Brit maakt echter een klifwandeling. Met uitzondering van de Schotse westkust loopt er vrijwel overal op het Britse eiland een voetpaadje langs de kust: jarenlang in gebruik geweest bij de kustwacht voor controle-wandelingen. Aldus bieden de kusten vaak unieke wandelmogelijkheden. Vooral de grillige klifkusten zijn superieur.
De kust is meestal een grote toeristische trekpleister. Bij een kustwandeling moet je dat in je achterhoofd houden. Met name het zuiden van Engeland heeft op bepaalde plaatsen veel strandtoerisme met bijbehorende hotels en boulevards. Als je een meerdaagse tocht wilt maken, zul je onvermijdelijk af en toe dergelijke vormen van massa-toerisme moeten kruisen. Bij het plannen van een dagtocht kun je er wel voor zorgen de ergste concentraties te vermijden.
Het gebrek aan overnachtingsplaatsen langs de kust is geen probleem. Er zijn volop mogelijkheden, maar in het hoogseizoen kan de drukte je flink parten spelen. In populaire gebieden is het vooruit reserveren van accomodatie in de zomer aan te raden.
Nogal wat kustplaatsen leven van het toerisme, en zouden zonder die impuls waarschijnlijk al lang geleden tot arme grijze dorpjes vervallen zijn. De visserij, een traditionele bestaansbron, is tanende. Slechts een enkele vissersplaats heeft vanwege een lokale visverwerkende industrie het hoofd boven water weten te houden. In andere plaatsjes is de visserij nog slechts een toeristische attractie: met en oude visserskot mee uit vissen.
De voordelen van het lopen langs de kust zijn evident. Verdwalen is er nauwelijks bij, het vinden van de route gaat moeiteloos. De kustpaden bieden meestal schitterende vergezichten en wijde horizonten, sublieme zonsondergangen en prachtige luchten. Kustpaden lopen vaak buiten de struktuur van weiden en akkers om: geen last van vee of veelvuldige overstapjes. En kustgebieden kennen een uitstekende afwisseling tussen ruig en geciviliseerd. Het ene moment loop je moederziel alleen boven het geluid van bulderende golven, het volgende moment sta je in een lieflijk kustplaatsje inkopen te doen of een overnachting te regelen. Als het te heet wordt neem je een frisse duik in zee, maar meestal zorgt een koele bries uit zee voor voldoende afkoeling.
Er zijn ook wel enkele nadelen aan het kustwandelen. Veel mensen onderschatten de zwaarte van zo'n tocht. Met name het wandelen over de klifkusten is een stuk vermoeiender en ruiger dan je zou verwachten. De zee trekt zich niets aan van het reliëf en snijdt dwars door berg en dal heen. De kustlijn gaat zodoende op en neer en lang achtereen vlak wandelen is er niet bij. Regelmatig moet je een beekdal kruisen dat vrijwel op zeenivo ligt. Dat betekent al gauw 30 meter steil naar beneden en 30 meter steil omhoog. Twintig van dit soort klimmetjes op een dag gaan je niet in de koude kleren zitten, zeker niet als je beladen bent met een rugzak.
Ook is de kust vaak weelderig begroeid. Behalve dat de plantenrijkdom een lust is voor het oog, kun je er ook mee in conflict komen. Zeker na een nat voorjaar staat de vegetatie op sommige plaatsen menshoog en vormt zo een perfecte schuilplaats voor stekeligheden als brandnetels, braamstruiken, gaspeldoorn en distels.
Met slecht weer verandert de klifkust in een vreselijk onherbergzaam oord. Wind en regen hebben er vrij spel en beschutting is vaak ver te zoeken. Sommige gedeelten kunnen bovendien zo afgelegen zijn dat ze in deze omstandigheden het verlaten karakter krijgen van de uplands. Maar ook mooi weer kan aan de kust zijn tol eisen. Aan de kust waait het snel schoon en schijnt de zon net iets vaker dan landinwaarts. Een dag lopen door de zon met een koel briesje, en voor je het weet ben je vreselijk verbrand.
De meeste van deze nadelen vallen weg op het moment dat je je er van bewust bent en er rekening mee houdt. Het volgen van de kust wordt dan een prachtige tocht door een continue strook wilde natuur met een schitterende planten- en vogelrijkdom.
Uiteraard zijn er verschillen in kustgebieden, van een kust met slikken en schorren tot een woeste rotskust met steile afgronden en kleine kiezelstrandjes. Vrijwel alle aantrekkelijke kustgebieden zijn een mengeling van kustvormen: kliffen, afgewisseld door baaien met strandjes en af en toe een brede riviermonding of zeearm. Juist die afwisseling maakt het vaak bijzonder.
Eindeloze duingebieden en zandstranden, kenmerkend voor de Nederlandse en Belgische kust, komen in Groot Brittannië niet op deze schaal voor, maar blijven beperkt tot kleinere stukken. In oost-Engeland, waar je vanwege het vlakke land een dergelijke kust zou kunnen verwachten is meestal sprake van een waddenkust en lage kliffen, waar het getij een grote rol speelt. Maar ook aan de westkust, waar de klifkusten meer overheersen, kan enige kennis van de plaatselijke getijden voor een kustwandelaar erg nuttig zijn bij het oversteken van een riviermonding. Het tochtverhaal over Pembrokeshire is wat dat betreft zeer illustratief.
Hierna laat ik de mijns inziens meeste 'bewandelbare' kustgebieden de revue passeren. Ik heb me daarbij niet gewaagd aan enige indeling. Te beginnen met de belangrijste, de zuidwest-kust, volgen de andere gebieden met de wijzers van de klok mee. Ik heb echter de fraaie klifkust van Cleveland weggelaten, omdat deze bij de North York Moors en de Cleveland Way (zie 4.5) al aan de orde komt.
Literatuur
De bekende schrijver Paul Theroux heeft eens per trein en te voet een rondreis gemaakt langs de Britse kust. Als Amerikaan ging zijn aandacht vooral uit naar typisch Engelse zeden en gewoonten. 'The Kingdom by the Sea', is de titel van zijn opmerkelijk boek.
6.1 De zuidwest-kust en het South West Coast Path
Dagtochten - Leuke punten - Kaarten, gidsen en literatuur
De zuid-west kust behoort tot de mooiste kustgebieden van Europa. Op een aantal kleine stukken na is het gehele kustgebied aangewezen als AONB of nationaal park (Exmoor). Mede door het gunstige klimaat is het wellicht het belangrijkste vakantiegebied in Groot Brittannië. Enigszins spottend wordt het wel de Engelse Rivièra genoemd. Het laat zich raden dat het er in de zomermaanden behoorlijk druk kan zijn. Een flink deel van de plaatselijke bevolking leeft van het toerisme en bepaalde attractiepunten zijn door de commercie behoorlijk verpest. Het enorme aantal uitspanningen op het bekende Land's End is hiervan een schoolvoorbeeld. Maar de onvermijdelijke caravan-parken, de poppenkast rondom toeristenplaatsjes en het strandtoerisme hoeven je niet meteen af te schrikken. Buiten deze concentratie-gebieden is het goed toeven en ben je hooguit samen met andere wandelaars. Desalniettemin zijn het voor- en najaar de beste seizoenen om de zuid-west kust te bewandelen.
Officieel heet het lange-afstandspad langs de kust het 'South West Peninsula Coast Path', een mond vol. Voor het gemak wordt het meestal de South West Way (900) genoemd. Dit langste van de Britse National Trails volgt de hele kustlijn van Minehead in Somerset via Land's End in Cornwall naar Poole in Dorset. Het pad wordt officieel in vier stukken gehakt: het Somerset & North Devon Coast Path, Cornwall Coast Path, South Devon Coast Path en het Dorset Coast Path. Deze indeling is gebaseerd op administratieve grenzen en daarom nogal onzinnig. De keuze voor een deel van de route kun je beter laten afhangen van bestaande verschillen of bereikbaarheid van begin en eindpunt, dan van een dergelijke willekeurige administratieve indeling.
Het hele kustpad in een keer aflopen zal voor de meesten niet tot de mogelijkheden behoren. Ik zal een poging wagen een beeld te schetsen van de verschillende delen.
Allereerst is er een behoorlijk verschil tussen de noordkust en de zuidkust. Van Minehead tot aan de Lizard Point is de kust veel ruiger, grilliger en ook kaler dan de zuidelijke kust. Ten dele heeft dit te maken met de ligging van de noordkust, die veel meer geteisterd wordt door hoge golven die op de Atlantische Oceaan ontstaan en zich ongehinderd kunnen voortplanten en aanzwellen. De overheersende westelijke stroming in het weer draagt hier extra aan bij. In twee opzichten ligt de zuidkust dus veel beschutter.
Een deel van de noordkust, tussen Barnstaple en Boscastle, is bovendien ook grillig vanwege de steensoort, voornamelijk donkere schalies en zandsteen uit het Carboon. De uiteinden van het schiereiland, de punten van Land's End en Lizard bestaan uit vulkanische gesteenten die in de Carboonlagen binnengebrongen zijn. Het vulkanisch gesteente van Land's End is graniet en dit verklaart de mijnbouw van de mineralen zoals koper en tin, die in het graniet voorkomen, en de aanwezigheid van vele prehistorische monumenten. De prehistorische mens gebruikte graag de keiharde graniet voor de bouw van grafkamers en dergelijke.
Voor het overige bestaat een groot deel van de zuidwest-kust uit rotsen uit het Devoon. Alleen het deel tussen Torquay en Poole heeft jongere gesteenten. Grofweg kun je zeggen dat hier alle afzettingen van het Perm tot en met het Krijt achtereenvolgens aan de oppervlakte komen. Het heeft er toe geleid dat dit deel van de kust wellicht het meest afwisselende deel en een stuk minder grillig is.
Kenmerkend voor de hele zuidkust is dat ze weelderig is en meestal iets warmer. Hierdoor is het strandtoerisme aan de zuidkust beduidend meer ontwikkeld en is ook het aantal dorpen en steden veel groter. Een factor die hierbij een rol speelt is dat de zuidkust veel meer beschutte havens heeft. Opvallend zijn de vele brede riviermondingen en zeearmen tussen Lizard Point en Exmouth.
Voor een wandelaar betekent het dat je langs de zuidkust meer toeristische gebieden moet doorkruisen en meer rekening moet houden met de getijden en de veerdiensten over de inhammen. Iets om rekening mee te houden is dat in het algemeen de noordkust de mooie zonsondergangen heeft en de zuidkust de zonsopkomsten.
Sinds 1973 worden de belangen van de wandelaars van het kustpad door de South West Way Association behartigd. Als je van plan bent over het kustpad te gaan wandelen, kan de vereniging je van bijzonder nuttige informatie voorzien. Jaarlijks wordt een gidsje uitgegeven met bijgewerkte gegevens over accomodatie, publicaties, transport, getijden en aanvullende route-informatie over het pad. Volgens mij een onmisbaar boekje. De South West Way Association geeft ook zelf route-beschrijvingen uit van het hele pad, opgedeeld in secties.
Behalve de informatie-functie rekent de vereniging het ook tot haar taak de continuïteit van de route te bevorderen. Hoewel het pad al 40 jaar een officiële status heeft, is het vreemd genoeg nog niet helemaal compleet. Voor bepaalde trajekten is nog steeds geen definitieve route vastgesteld. De South West Way Association is op dit terrein actief en komt regelmatig met voorstellen voor verbeteringen en alternatieven.
Vele mensen wandelen een stuk van het kustpad als dagtocht. Het boekje van de South West Way Association met actuele informatie over trein en bus kan daarbij heel nuttig zijn. Ideeën voor een dagtocht kun je opdoen aan de hand van de hieronder opgesomde leuke punten.
De voormalige spoorlijn van Bodmin naar Padstow is opengesteld als wandelroute. Vooral het deel langs de riviermonding van de Camel is fraai. Uitgezette (natuur)paden vind je onder andere bij Ilfracombe, Lizard (Cadgwith), Studland, Brownsea Island (Poole Harbour).
Bij het inventariseren van wat er aan leuke plekjes op en nabij de route ligt, nam de lijst al gauw ontzaglijke vormen aan. Dat is ook niet zo gek voor een route van 900 kilometer langs een schitterende kust. Het zou gemakkelijker zijn geweest de plaatsen aan te geven die je beter kunt mijden, maar dat komt zo negatief over. Een selectie dus:
Vanaf Minehead loopt het pad allereerst door het prachtige Exmoor National Park, waar de hoogste kliffen (330 m) van het kustpad voorkomen (zie verder 4.6.3).
Voorbij Exmoor krijg je uitzicht op het opvallende eiland Lundy, een granieten bult die plots uit zee oprijst. Te bezoeken met een boottocht vanuit het overigens fraai gelegen Ilfracombe.
De zuidrand van de Bideford Bay is een rustige weelderige kust. Verscholen in de beboste kliffen liggen twee schitterende plaatsjes, Buck's Mills en Clovelly. Het laatste is alleen vreselijk toeristisch.
Van Hartland Point tot aan Port Isaac is de kust een bijzonder ruige rotskust zonder zandstrandjes. Ze is dan ook berucht om haar scheepswrakken: 136 in de afgelopen 200 jaar. In de kliffen zijn de enorme plooien in de gesteenten uit het Carboon prachtig waar te nemen, zoals bijvoorbeeld bij Hartland Quay. Iets verder stort de Speke's Mill Mouth over de klifrand: de mooiste kustwaterval die je langs het kustpad tegenkomt.
De omgeving van Boscastle en Tintagel is erg beroemd, vanwege de toeristische kasteelruïne op Tintagel Head. Het zou het kasteel van King Arthur zijn geweest. Rustiger en minstens zo bezienswaardig zijn de haven van Boscastle, het fraaie dalletje Rocky Valley en het hunebed Trethevy Quoit.
Ten noorden van Newquay spreken de Bedruthan Steps, de reuzenrotsblokken op het strand, enorm tot de verbeelding.
St. Agnes Head is bezaaid met overblijfselen van de koper- en tinmijnen, zoals de gerestaureerde Wheal Cotes. De heuvel St. Agnes Beacon is trouwens een aardig uitzichtspunt. Meer mijnbouw heeft plaatsgevonden tussen St. Ives en St. Just. Restanten zijn te zien van de Levant mijn en de Botallack mijn, die tegen de klifkust aangebouwd was. In deze kuststrook liggen verder ontelbare prehistorische monumenten, zoals de hunebedden van Zennor Quoit en Lanyon Quoit, de Nine Maidens stenen cirkel en de nederzettingen van Chysauster.
Voorbij de vele uitspanningen op Land's End ligt Porthcurno met een in de kliffen uitgehouwen openlucht-theater en de beroemde Logan Rock.
St. Michael's Mount, bij Penzance, is de Britse versie van het Franse Mont St. Michel. Vanuit Penzance kun je per boot of helikopter naar de Scilly Isles, de ver weg gelegen eilanden met tropische planten, vele zeevogels en veel prehistorie.
The Lizard is de meest zuidelijke punt van Groot Brittannië. Iets noordoostelijk ervan ligt het prachtige met rotsklompen bezaaide strand van Kynance Cove.
De vele estuaria aan de zuidkust, ontstaan door 'verdronken rivierdalen' zijn vaak zeer fraai en weelderig. De monding van de Erme, ten oosten van Plymouth, is nog helemaal ongerept. Enkele plaatsjes aan dergelijke zeearmen vallen op door hun perfecte ligging, bijvoorbeeld Helford, Fowey, Looe en Dartmouth.
Beroemd zijn de aan de zuidkust gelegen vissersdorpjes. Gorran Haven en Mevagissey zijn ondanks het toerisme nog heel aardig, Polperro is bijna geheel verpest. Vrijwel onbedorven is het voor Plymouth gelegen Cawsand. Van Hallsands, een dorpje vlakbij Start Point, resten nog slechts enkele bezienswaardige ruïnes. Het dorpje is ten prooi gevallen aan de zee, nadat voor de aanleg van de Devonport Docks van Plymouth het plaatselijke strand grotendeels was weggegraven.
Uniek zijn de rode kliffen tussen Teighmouth en Sidmouth, waar de zogenaamde 'new red sandstone' uit het Trias aan de oppervlakte komt. Verderop, bij Branscombe, komen af en toe landverschuivingen voor, waardoor hele stukken klif wegzakken. Net als op het Isle of Wight en bij Folkestone is de overgang tussen de poreuze kalk- en zandsteenlagen en een ondoorlatende kleilaag de oorzaak (zie 6.7). De schitterende oerwoud-achtige Dowland Cliffs and Landslips tussen Seaton en Lyme Regis zijn ook dergelijke 'Undercliffs' en vormen een natuurreservaat.
Lyme Regis en Charmouth zijn het Mecca voor fosielenzoekers. De kalksteenlagen (Jura-tijdperk) in de kliffen zijn bijzonder rijk aan fossielen van beesten die in de Jura-zee leefden. De horizontale lagen in de kliffen leveren een fraaie kleurschakering op, vooral bij de hoogste klif van de zuidkust: Golden Cap, genoemd naar de toplaag van gele zandsteen. Lyme Regis is trouwens een aardig stadje.
De kust van Dorset blijft afwisselend. Bij de magnifieke Durdle Door en Lulworth Cove komt de opvallende structuur het best tot zijn recht. De verschillende steenlagen lopen hier namelijk parallel aan de zee. Een golf in de branding komt hier achtereenvolgens een laag Jura-kalksteen, de Weald-lagen en tenslotte de witte krijtrots van de Dorset Downs tegen. Als de zee eenmaal door de harde Jura-laag heen is gebroken, zoals bij Lulworth Cove, vallen de zachtere Weald-lagen snel ten prooi aan de golven, totdat de zee zich weer vastloopt op de beter weerstand biedende krijtrots. Zodoende ontstaat de prachtige ronde kom die Lulworth Cove is. Helaas is het gebied ten oosten hiervan een militair oefenterrein en is het ruige kustpad hierlangs niet altijd toegankelijk.
Nog verder oostwaarts, op Purbeck, wordt de Jura-laag hoger en breder. Deze Purbeck Limestones zijn op grote schaal gedolven voor de bouw van kerken en dergelijke. Ook 'The Globe', de wereldbol op Durlston Head, is van deze steensoort gemaakt. In Swanage was ene George Burt zo slim de boten die de rots naar London vervoerde op de terugweg vol te stoppen met overtollig Londons straatmeubilair. De reden dat je hier op straat 'City of London' op een lantaarnpaal kunt tegenkomen.
Ten noorden van Swanage eindigen de Dorset Downs in de vorm van de prachtige krijtrotsen van Ballard Cliff en de witte kalksteenpilaren van 'Old Harry' en zijn 'Wife'. Op een heldere dag zie je het vervolg van de krijtrotsen aan de overkant van Poole Bay: the Needles op het eiland Wight.
De grote populariteit van het zuidwestelijk kustpad wordt weerspiegeld in het aantal verkrijgbare gidsjes. Probeer in elk geval ook het jaarlijkse boekje van de South West Way Association te pakken te krijgen: The South West Way, a complete guide to the coastal path.
Van vrijwel alle delen van de zuidwest-kust zijn wandelgidsjes te vinden. Outdoor Leisure Maps zijn er van de Scilly eilanden en van Purbeck.
Literatuur
Over Cornwall is ontzettend veel geschreven. Alle verhalen van Daphne du Maurier spelen zich in Cornwall af. Haar boek 'Vanishing Cornwall' is zeer boeiend.
Het huidige vakantieoord Westward Ho! is pas ontstaan nadat Charles Kingley in 1855 een boek onder deze titel schreef. Rudyard Kipling studeerde hier en schreef op basis van zijn herinneringen het beroemde boek 'Stalky & Co.'.
Een waanzinnig boek is het humoristische verslag van het lopen van de South West Way door Mark Wallington en de hond Boogie: '500 Mile Walkies'.
Meerdaagse tochten - Dagtochten - Leuke punten - Kaarten en gidsen
The Gower is een interessant uithoekje van de zuidkust van Wales. Hoewel het onder de rook ligt van Swansea, een van de grote industrie-steden van zuid-Wales, heeft het zijn landelijke karakter weten te behouden. De reden hiervoor is dat The Gower gewoon uit de weg ligt. Het schiereiland heeft nimmer een spoorlijn gekend en is zodoende nooit op grote schaal ontwikkeld. Later heeft de beschermende status van Area of Outstanding Natural Beauty hier natuurlijk ook aan bijgedragen. The Gower was overigens het eerste gebied dat tot AONB werd verklaard (in 1956).
The Gower AONB heeft ondanks zijn bescheiden omvang alles wat je van een kustgebied mag verwachten: hoge kliffen, baaien met grote zandstranden, kleine inhammen en diepe rivierdalletjes, uitgestrekte duinen, moeraskusten en wadden. Het unieke daarbij zijn de kalksteenkliffen, die ook in het zuiden van Pembrokeshire voorkomen. Een groot deel van de Gower bestaat immers uit harde kalksteen (limestone), dezelfde die je tegenkomt in de Mendips, de Brecon Beacons en op diverse plaatsen in het noorden van Engeland. Ook hier is het de oorzaak van fraaie natuurverschijnselen, zoals enkele prachtige beboste kloven, waarvan die tussen Bishopston en Pwlldu Bay het bekendst is. Wat de zee echter met de harde kalksteen doet, is wellicht nog mooier. De kliffen, tot 100 m hoog, zijn door de steeds wisselende ligging van de steenlagen zeer gevarieerd. In het westen liggen die lagen nogal rechtop en heb je daarom de steilste kliffen. Naar de kant van Mumbles Head worden de kliffen glooiender en zijn getooid met de gouden bloesem van de gaspeldoorn.
Landinwaarts ziet The Gower eruit als een plateau. Dit wordt verklaard door het feit dat in vroegere tijden de zeespiegel veel hoger heeft gelegen: het plateau is toen ontstaan door de schurende werking van de branding van de zee. Uit het plateau rijzen een aantal heuvels op, die bestaan uit 'old red sandstone', een afzetting uit het Devoon. Wat betreft de structuur gaat de vergelijking met de Mendips en de Brecon Beacons hier weer op. De losliggende heuvels geven schitterende vergezichten over het hele schiereiland van The Gower.
Slechts twee nadelen kleven er aan The Gower: het is klein en toeristisch. Als wandelaar moet je vooral de stukken opzoeken waar de automobilist niet kan komen. Vermijd in ieder geval het massale strandtoerisme tussen Swansea en Mumbles Head.
Vanwege de geringe omvang van de Gower zou je ten hoogste een tocht van drie dagen kunnen maken. Het volgen van de kustlijn ligt zeer voor de hand. Dit doet het Gower Heritage Coast Path (34) van Mumbles Head naar Penclawdd.
Beter leent de Gower zich voor dagtochten. Behalve enkele etappes van bovengenoemde route langs de kust, kun je het gemarkeerde Cross Gower Path (11) bewandelen, tussen Crofty en Southgate. Een aanrader is het pad over Cefn Bryn. Start in Penmaen en loop hoog over naar Reynoldston of door naar Llanmadoc. Onderweg prachtige uitzichten naar alle kanten.
Eigenlijk is alles op het schiereiland bewonderenswaardig. De heuvels, waarvan Rhossili Down de hoogste is (bijna 200 m); Bishopston Valley en Pwlldu Bay; de kliffen en grotten bij Port-Eynon.
Rustzoekers en vogelaars wandelen naar de uithoeken: de rotsen van Worms Head die slechts bij laag water te bereiken zijn, de duinen van Whitford Burrows, en niet te vergeten de voormalige kliffen van Tor-Gro, aan de rand van de zoute moerassen van Llanrhidian Marsh.
Vrijwel al deze schoonheden zijn in het bezit van de National Trust.
In de boekhandel in Swansea tref je een wandelgidsje over The Gower.
Meerdaagse tochten - Dagtochten - Leuke punten - Kaarten en gidsen - Tochtverhaal
Het Pembrokeshire Coast NP is het enige nationale park dat niet tot de uplands behoort. Het park wordt gevormd door een smalle strook langs de kust in zuidwest-Wales tussen Cardigan in het noorden en Tenby in het zuiden. Het kustpad van Pembrokeshire doorkruist dan ook vrijwel het hele nationale park, met uitzondering van de Prescelly Hills en de landinwaarts gelegen zeearmen van de Cleddau.
Pembrokeshire wordt wel 'little England beyond Wales' genoemd: klein Engeland achter Wales. Deze punt van Wales is namelijk al lang geleden dermate door de Engelsen gekoloniseerd dat van het oorspronkelijke karakter van Wales weinig meer rest. Vrijwel alle plaatsnamen zijn bijvoorbeeld Engels. Dat het oude graafschap Pembrokeshire is opgegaan in het grotere Dyfed doet daar weinig aan af.
Maar Pembrokeshire is Engels gebleven. Niet alleen stromen elke zomer hele horden Engelsen naar de toeristische kustplaatsen van Pembrokeshire, tot voor kort was Pembrokeshire de plaats waar de brandstof voor de motor van de Britse ekonomie aan land kwam. Hier ligt de grootste natuurlijke zeehaven van Groot Brittannië, Milford Haven, waar 's werelds grootste olietankers kunnen afmeren. Alleen sinds de opkomst van de Schotse Noordzee-olie, is de olie-aanvoer via Pembrokeshire veel minder belangrijk geworden. Desondanks is het gebied rondom Milford Haven en Pembroke nog steeds een groot industriegebied en een smet op de rest van de schone Pembrokeshire Coast. De Britse defensie doet daar nog een schepje bovenop vanwege het enorme schietterrein ten zuidwesten van Pembroke. Zeven kilometer kustlijn zijn hierdoor ontoegankelijk en ten tijde van schietoefeningen zelfs het dubbele.
Voor het overige is Pembrokeshire een perfect en afwisselend kustgebied. Het meest kenmerkend is wel de afwisseling in gesteenten, van het hele oude Précambrium en het voor Wales typische Cambrium en Siluur tot aan alle afzettingen uit het Carboon. Deze afwisseling komt echter nauwelijks tot uitdrukking in landschappelijke verschillen. De noordkust, bestaande uit oude gesteenten uit Ordovicium en Siluur vertoont iets grilligere en woestere vormen dan de rest. Verder is St. Brides Bay een duidelijke aanwijzing voor verschil in steensoort. Waar hier tussen Newgale en Little Haven de zachtere lagen uit het Carboon aan de oppervlakte liggen heeft de zee de kustlijn ver kunnen terugdringen. Opmerkelijkere aanwijzingen zijn de kleurverschillen die je aantreft in de kliffen en de gebouwen, en de verschillen in vegetatie.
Evenals The Gower heeft de zee in vroegere tijden alle gesteenten gelijkelijk tot een kust-plateau afgesleten. Alleen langs de noordkust torenen enkele losse heuvels met vulkanische rots hier bovenuit uitmondend in de hoge heuvelrug van de Prescelly Hills. De steensoort van de Prescelly Hills is zeer bekend geworden vanwege Stonehenge. De buitenste ringen van dit monument bestaan uit de 'bluestones' die helemaal van hier naar Stonehenge getransporteerd zijn.
Een opvallend fenomeen van Pembrokeshire zijn de zogenaamde 'verdronken dalen', waarvan Milford Haven het imposante voorbeeld is. De diepe dalen zijn voornamelijk ontstaan door de enorme hoeveelheid smeltwater dat zich een weg zocht in de tijd dat het landijs begon te smelten en de zeespiegel een stuk lager lag ten opzichte van het land. Met het afsmelten van het ijs steeg de zeespiegel en liepen deze dalen gedeeltelijk vol. De ontstane zeearmen vormden aldus mooie natuurlijke havens en enkele prachtige getijdenrivieren zoals de armen van de Cleddau.
Het Pembrokeshire Coast Path (270) start officieel in Amroth bij Tenby en eindigt in St. Dogmaels bij Cardigan. Met uitzondering van het gedeelte rondom de zeearm Milford Haven is het pad nooit meer dan enkele honderden meters van de kust verwijderd.
Etappes van het kustpad kunnen uiteraard als dagtocht gelopen worden. Aangezien openbaar vervoer nogal onbetrouwbaar is, komen de kleine schiereilandjes het meest in aanmerking als je tenminste niet dezelfde weg terug wilt lopen. Aan te raden zijn rondtochten over de rustige punten van Marloes, Dale, Angle en Dinas Head. Op een aantal plaatsen zoals bij Pennaly en Lydstep zijn natuurpaden langs de kust uitgezet.
Landinwaarts zijn veel rustigere tocchten te maken. De Prescelly Hills en haar uitlopers bieden de uitzichten over de kustvlakte, de dalen ertussen zijn de groene oases van rust. De hoogste top van de Prescelly Hills beklim je vanuit het curieuze gehuchtje Rosebush.
Liefhebbers van zeevogels kunnen een dag-bezoek brengen aan de eilanden Ramsey (vanaf Portstinian), Skomer (vanuit Martin's Haven) of Caldey (vanuit Tenby).
Overal langs de kust vind je prehistorische overblijfselen, voornamelijk grafkamers uit het Stenen Tijdperk en forten uit het IJzeren Tijdperk. Beiden zijn aanwezig op St. Davids Head, een rotsige punt ten noorden van St. Davids. De structuur van de velden op deze landtong stamt ook uit het IJzeren Tijdperk. Het 180 meter hoge piekje Carn Llidi is een klim waard. Uit de begintijd van het Christendom stammen de vele kerkjes en kapellen aan de kust. De meesten zijn vervallen, zoniet de kapel ten zuiden van Bosherston.
Bij Bosherston ligt overigens een fraai 'verdronken dal'. In de middeleeuwen ontstond een zandbank in de monding waardoor het eenvoudig werd om de zeearm van Broad Haven af te scheiden. De oude zeearmen zijn nu verworden tot een visvijver: 'Lily Pond'.
Van de kustplaatsjes heet Tenby de mooiste te zijn. Helaas is Tenby en omgeving stampvol in de zomer. Solva, ook een aardig dorp, is al niet minder druk. Het meest oorspronkelijk is de Lower Town van Fishguard gebleven: een levendig vissersdorp in het diepe dal van de Afon Gwaun.
Andere fraaie vissersplaatsjes zijn Angle en Little Haven.
Ten noorden van Nolton Haven zijn sporen te vinden van voormalige steenkoolmijnen.
Een tweetal gidsjes van het kustpad en een gids van het nationale park zijn verkrijgbaar.
Er hing aan de kust een gekke mistlaag waar ik midden in terecht was gekomen en waarin het steenkoud was. De auto's die nog langskwamen zagen mij amper en namen me niet mee voor de laatste 12 kilometer. Hoewel, tegen negenen stopte er een Ierse trucker voor me, die ik wel om de hals kon vliegen. Met Ierse folkmuziek op de achtergrond, schoven we over smalle kronkelweggetjes naar Goodwick waar hij de ferry naar Ierland op ging. Dik tevreden liep ik naar Fishguard en kampeerde daar.
Ik had gehoopt dat Mark en Ben 's avonds laat toch nog op waren komen dagen en hun tentjes ongemerkt naast die van mij hadden gezet, maar ik ontwaakte enkel en alleen. Dat werd wachten. Terug in het dorp sloeg ik eerst wat proviand voor de komende dagen in, dook tenslotte een boekhandel in en kwam er veel later weer uit met een boek dat ik lekker op het verkeerspleintje ging zitten lezen. Van het verkeer dat om me heen cirkelde trok ik me niets aan en begon aan 'Wild Wales' van George Borrow, het reisverslag van een Welsh-sprekende Engelsman die in de vorige eeuw een voettocht door Wales maakte.
Miezerig
Tegen twaalven stonden de twee dan eindelijk voor me. We konden aan het kustpad beginnen. Het bleek al gauw erg warm toen we bij Goodwick het zeeniveau verlieten en naar klifhoogte (ongeveer 60 meter) klommen. Goed en wel op weg besloten we maar te gaan lunchen. Wat niet overbodig bleek te zijn, want hoewel het pad prachtig de kliflijn volgt, was het verre van eenvoudig lopen. Elk klein beekje sneed een zijdal in dat je dwong eerst een stuk landinwaarts te lopen, een stuk steil af te dalen en hetzelfde aantal meters weer steil omhoog te klimmen. Al met al maakte je zo veel kilometers en kwam je slechts weinig vooruit. Ook het voorbije natte voorjaar speelde ons parten: de vegetatie was zo enorm omhooggeschoten dat je op sommige plaatsen er nauwelijks bovenuit kon kijken. Dat was nog niet zo erg, maar het stak. Was het niet het stekelige struikgewas, dan wel de verscholen brandnetels die onze blote benen teisterden.
Uren zigzaggen brachten ons bij de vuurtoren op Strumble Head. Een aanwezig parkeerplaatsje verspreidde meerdere mensen. Voorbij de drukte pauzeerden we bij een rustiek inhammetje, Pwllarian, waar normaliter een klein beekje de zee in stroomt. Bij het klauteren over de klifrotsen ontdekten we het miezerige stroompje, net groot genoeg om in een minuut een fles van een liter te vullen. Redelijk goed drinkwater. In de zon liggend even uit blazen.
Op zoek naar een kampeerplek liepen we enigszins doelloos verder. De door de kaart aangegeven bron even verderop stond nagenoeg droog en deed ons snel besluiten terug te lopen naar de pauzeer-plek. Dan maar een beetje geduld met water tappen hebben. 's Avonds werd het schitterend en genoten we van een geel-oranje zonsondergang, terwijl we ons vermaakten met het in zee gooien van opgedroogde runderkeutels.
Stenen bakens
Na een paar kilometers kwamen we bij een stukje pad dat qua klifkust het mooiste was dat we hadden gezien. Geheel parallel aan het reliëf lag er een recht stuk pad voor ons, op zo'n 120 meter boven de zeespiegel. Dat maakte het kustlopen gemakkelijk en toch spectaculair. Geen lastige zijdalletjes maar mooi vlak lopen en genieten van de vergezichten en hoge klippen. De rest van de ochtend bestond uit een rustige tippel langs steeds wisselende kustlijnen. Vlak voor Trefin bogen we van de kust af om in het dorp hopelijk een winkel tegen te komen. De aanwezigheid van een jeugdherberg had ons die hoop gegeven. Trefin is een leuk klein dorpje met een typisch Engelse dorpstraat die breed uitloopt. Aan de korte zijde van deze driehoek lagen de jeugdherberg en het winkeltje. Goed voor melk, fruit, snoep en ander nuttig eten. Tenslotte lieten we ieder een brok roomijs in onze magen wegsmelten. Afgekoeld konden we weer op pad.
In Porth-Gain, een haventje uit vervlogen tijden, bleek ook nog een winkeltje te zijn zodat we helemaal niet van het pad af hadden gehoeven. Vroeger werd er hier veel steen gedolven en via het haventje naar het Engelse moederland getransporteerd. Nu liggen er voornamelijk plezierjachtjes in het verborgen haventje. Twee stenen bakens, aan weerskanten van het haventje hoog op de kliffen neergezet, dienen nog steeds als aanwijzing voor schepen op zee dat Porth-Gain hier ligt.
Een oude tramlijn verbond vroeger Port-Gain met een fraaie oude leisteengroeve bij Aber-Eiddy Bay. Terwijl we stonden te kijken naar de oude 'quarry' die door vissers was omgebouwd tot een haventje, viel ons oog op de punt Trwyncastell met daarop het vreemde torentje Aber-Eiddy Tower, waarschijnlijk ook ooit een baken geweest. Nooit vies van bijzondere kampeerplekjes, besloten we daar eens te gaan kijken. Het puntje was bovendien niet zomaar te bereiken, het vergde een dosis klauterwerk. Maar waarom makkelijk doen, als het ook moeilijk kan? Aan het uiterste eindje konden we namelijk net onze drie tentjes kwijt, en wat is er mooier dan het idee dat achter je tent de wereld ophoudt en je een smak van pakweg 25 meter maakt? Al onze moeite werd 's avonds nog belooond door een fantastische 'zonzet' die we vanuit het torentje bewonderden. De oranje bal zakte precies achter onze tentjes in de oceaan.
Wildwaterbeek
Geel-groene schakeringen in de golvende weiden voor ons getuigden van een mooie dag. Niet lang daarna kwamen we de hitte tegen die ons overviel en ons van alle aanwezige fut beroofde. Er zat niets anders op dan bij de pakken neer te gaan zitten en de zeehonden te bewonderen die we in de kraakheldere zee onderwater konden volgen. Verder op zoek naar het eerste de beste zeewaardige strandje, voor een duik. Op het dorre rotsige St. David's Head ontmoetten we eerst nog twee enorme Jan Sport rugzakken, eronder twee echte Amerikanen. Helemaal achter op de punt lag een fort uit het IJzeren tijdperk. Een grote wal van stenen beschermde de landtong tegen eventuele aanvallen vanaf het land.
Op het strandje van Porthmelgan ploften we dus neer, het was er niet overdreven druk. De afkoeling van het zeewater bleek overbodig, de wind op het strandje was voor Mark en mij al genoeg. Na 3 keer plonzen en spetteren kwam Ben trouwens ook snel van de ijskoude zee terug. De Britten bleken er beter tegen bestand.
Na de lunch verzeilden we in de drukte op het hoofdstrand en liepen niet toevallig tegen een ijscomannetje aan. IJs etend sjokten we door de duinen langs de kust. Ramsey, het eiland van de knoflook, kwam in zicht, aan de overkant van de smalle zeestraat Ramsey Sound. Op het strand hadden we al de overdreven reklame gezien vooor een cruise met een schip dat als enige tegen de stroom van Ramsey Sound op kon varen. Leek toen flauwekul. Nu we een tijdje langs de zeestraat liepen viel ons toch de enorme getijdestroom op, die zich golvend en kolkend door de ondiepe Sound perst. Een schouwspel dat ik nog niet eerder gezien had. Dat de zee zo op een wildwaterbeek kon lijken had ik niet voor mogelijk gehouden. En dat er een boot tegenop komt weigerde ik te geloven. Helaas hadden we te weinig tijd voor een boottochtje, hoewel een uitstapje naar het vogeleiland Ramsey best aan te raden was geweest.
Terras
Het gekke van het lopen over het kustpad was dat je door drukke toeristengebieden liep zonder er erg veel van te merken. Het viel ons pas op toen we 's avonds op zoek gingen naar een pub in St. Davids. Het werd uiteindelijk buiten zitten. Nu was op een terras zitten op zo'n zwoele zomeravond best lekker geweest, maar er was geen terras. De kroegen zaten zo stampvol dat we met moeite een pint konden bemachtigen en deze op de stoep moesten opdrinken. Hetgeen desondanks heel gezellig was. De beroemde kathedraal moesten we zeker nog even bekijken, ook al was het donker. Een kathedraal in een dorpje zo klein, dat was al een bijzonderheid op zich. De kerk is vernoemd naar St. David, een van de vroege verspreiders van het christendom. Vanaf 400 was Pembrokeshire, evenals plaatsen aan de westkust van Ierland, een centrum van verspreiding van het christendom, voornamelijk via zee.
Oververhit
Solva, fraai gelegen aan een natuurlijke haven, was ons volgende doel. We hadden gehoopt er een winkel aan te treffen. Winkels waren er te over, maar wat voor winkels. De ene na de andere souvenirwinkel wisselde de tussengelegen restaurants af. Het was dat de melkboer langskwam, anders hadden we voor Newgale, waarna we verwezen werden, niets kunnen kopen. Een pint ijskoude volle melk ging er wel in. Ten afscheid had Solva nog een verrassing in petto. Met moeite weer op de klippen geklommen, bleek er direkt weer een dal te liggen, op zeeniveau. Geoefend als we ondertussen waren stonden we hijgend en zwetend even later op de echte klip en werden getroffen door twee voor de kust liggende scheepswrakken. De twee sleepboten die in een vliegende storm een ander probeerden los te trekken werden beide slachtoffer en zijn nog steeds niet geheel geborgen. Misschien vanwege de lastige ligging. Bordjes 'Keep Out' moeten de wrakken tegen strandjutters beschermen.
Badend in het zweet, met Ben ver achter, stormden we de supermarkt van Newgale binnen. Naast de gewone dingen behoorde ook een brok ijs tot de boodschappen. We waren weer flink oververhit geraakt. Voor ons lag het brede strand van Newgale. Verder naar achteren leek het strand steeds rustiger te worden. Hoewel ijskoud, was het een perfect zeetje. Flinke golven waar je lekker in kon duiken, of waardoor je je lekker mee kon laten sleuren. Na het zwemmen kwamen de strandspelletjes. Op het steeds leger wordende strand was nu ook plaats voor een jeu de boules met stenen, een spel dat we eerder in Schotland al hadden ontdekt.
In de koele avondlucht liepen we rustig naar Nolton Haven. Vragen naar een kampeerplek in de pub leverde niets op. Met een verwijzing naar een dichtbij gelegen caravan-park kwam ik weer naar buiten, het grasveldje bij de haven was niet voor ons weggelegd. Tenslotte liepen we eenvoudigweg het pad maar weer op, overtuigd dat we wel een leuk plekje tegen zouden komen. En inderdaad, na een kleine kilometer lag er tussen het pad en de klifrand een strook gras van zo'n 3 à 4 meter breed. Prima stekkie voor je tent. Het enige gevaar was een eventuele volle blaas 's nachts. In het donker slaperig over de klifrand vallen lijkt me geen lolletje.
Dutch Gin
'The weather was as bright as ever'. Om moe van te worden, dat weer. Jaloers keek ik naar het clubje zee-kanoërs die langzaam, doch veel sneller dan wij, de kustlijn volgden. Tegen elven nam het weer een wending en werd het bewolkter, dus koeler. Onderwijl bracht een asfaltweggetje ons in de gezellige drukte van Little Haven. Voor de pub vond een openbare visverkoop plaats, de vangst van lokale vissers. Iets verderop lunchten we op een prachtig beschut hoekje langs het pad. Inmiddels was er ook een aardige wind opgestoken.
Met het rommelige stuk van Little Haven en Broad Haven achter ons, stond er nu weer een ouderwets mooi stuk pad voor ons te wachten. Wat het bovenal uniek maakte waren de loofbossen die hier de klifkust bevolkten. Iets wat in Cornwall en Devon, langs de South West Way, veel meer voorkomt. Een welkome afwisseling op de immer terugkerende vergezichten van rotspunt na rotspunt. Bijzonder fijn was wel de perfecte staat van het pad naar St. Brides. Moest je de afgelopen dagen constant alert zijn op zich verschuilende brandnetels, hier was de grasmaaier goed gebruikt. Probleemloos lopend, onderwijl terugkijkend naar St. Davids Head en Ramsey eiland aan de overzijde van de grote St. Brides Bay. Terwijl ik me afvroeg waarom een puntje en inham hier respektievelijk 'Dutch Gin' en 'Brandy Bay' heetten, liepen we ongemerkt een gebied met een nog niet eerder tegengekomen steensoort binnen: oude rode zandsteen, waarlijk echt bordeaux-rood. Hoewel heel Pembrokeshire geologisch interessant is vanwege de grote verscheidenheid aan afzettingen, is aan de kustlijn releatief weinig te zien. De twee meest opvallende zaken zijn de enorme baai van St. Brides, de door de zee weggeslagen zachtere steensoorten tussen de harde formaties van Ramsey en Skomer, en het verdronken dal van de Cleddau, zo diep ingesneden in glaciale tijden toen de zeespiegel veel lager was, en nu als natuurlijke haven zelfs voor mammoettankers bevaarbaar.
Private
St. Brides is een schitterend gelegen rustige nederzetting aan een inham. Het kasteelachtige landhuis doet dienst als een rustoord. Met een kerkje en een paar huizen heb je St. Brides dan gehad. Hier zouden we de kust verlaten en doorsteken naar Dale. Daarmee zouden we flink wat kilometers kustpad overslaan, maar met nog maar een dag voor de boeg moesten we wel. Jammer was het dat we hierdoor het vogeleiland Skomer misliepen. Het begon al goed achter de kerk: het gekozen pad was vreselijk drassig en op diverse plaatsen flink overwoekerd. Verderop, door de weilanden, was het pad beter, op de onmogelijke stiles na die ergens tussen de heggen verscholen lagen. Dat we van de officiële route af waren was onmiskenbaar.
Op zoek naar een kampeerheem begaven we ons richting Slatehill Farm. Echter bij de laan naar de boerderij troffen we toch wel erg onvriendelijke borden aan: "Strictly private" en erger. Newfoundland dan? Een arme, dus vriendelijke, boerin stond ons te woord. Geen veldjes vrij had ze, maar ze zou wel even bellen naar de buren. En zo kwam het dat we op een veldje mochten kamperen van, zo bleek later, de eigenaars van een camping iets verderop.
Mammoettankers
We staarden over het water van de baai 'Dale Roads' naar de overkant. Normaliter kun je hier bij laagwater oversteken. Wij waren blij dat we dat door het afsnijden van de route niet hoefden te doen. De vloed leek op haar hoogste punt. We konden rustig over het strand naar Musselwick lopen. Via Monk Haven, een beschutte en veel gebruikte landingsplaats voor monniken in de tijd van St. David, bereikten we de vuurtoren op Great Castle Head, en de eerste uitzichten op de olie-industrie. Vanaf deze vuurtoren overheersden de olie-multinationals het hele kustbeeld. We hieven een lunch aan en bekeken de boel eens. Grote navigatiewerken op de kust en een paar tankertjes voor anker aan het begin van de enorme zeearm. Verder in de fjord staken pijpleidingen bijna een kilometer de zee in en eindigden in grote aanlegplaatsen. De zeearm is namelijk in het midden uitgediept zodat de ook grootste mammoettankers bij de 'jetties' kunnen komen. Alleen de horizonvervuiling van met name de olie-opslagtanks is van verre zichtbaar en ontsierde een groot deel van de fjord. Het geheel was indrukwekkend en vormde ondanks de lelijkheid in ieder geval een aardige afwisseling van onze kusttocht.
Desillusie
Na het vreetfestijn belandden we al snel in een vreselijk overwoekerd stuk klifkust met varens, brandnetels en braamstruiken tot over je oren. Midden in de woestenij kwamen we prompt de lange tijd afwezig geweeste markering weer tegen: het witte eikeltje. Desondanks dwaalden we toch van de officile route af, die meer landinwaatrs ging. Vreemd genoeg bleef er echter een pad langs de kliffen lopen, heel fraai door een nat loofbos. Wellicht een voormalige route. Uiteindelijk bereikten we de inn bij Sandy Haven. Het veer dat hier op de kaart staat vaart al lang niet meer; de enige manier om deze riviermonding over te steken is met een voetbruggetje en enkele 'stepping stones', die bij laag water droog moeten vallen. Volgens ons routeboekje kon dat van 3 uur vóór tot 3 uur ná eb. Onze ervaring leek daar niet helemaal mee te kloppen.
We liepen langs allerlei mensen het zand van Sandy Haven op en zagen niets dan water. Volgens onze berekeningen was het vrijwel eb, dus moest het bruggetje droog liggen. Maar er stond nog zeker zo'n 15 cm water bovenop het ding. Het scheen me toe dat de stroomsnelheid te laag was om het geheel in korte tijd te doen droogvallen, dus ik begon met schoenen aan te waden. Het water reikte net tot de schacht van de schoen. Rustig lopen en niet te veel klotsen was het motto. Dat ging prima totdat één stapsteen net iets te diep lag en ik een grote sprong moest maken om deze steen over te slaan. Aarzelen hielp weinig, behalve dan dat Ben mij blootvoets achterop kwam en schamperlijk begon te lachen. De geslaagde sprong bracht mij naar de overkant, zij het toch met enige waterschade. Erger was onze enorme verbijstering toen we, nadat Ben en Mark de sokken en schoenen weer aan hadden, achter ons spelende kinderen hoorden. We draaiden ons om en zagen de brug en de stapstenen een ruime decimeter boven water liggen! Alsof een of andere idioot verderop de stop eruit had getrokken en het haventje nu leeg was gelopen.
Zo'n desillusie wilden we gauw vergeten, dus verdwenen we van het toneel. We verzeilden tussen de olie-opslagtanks van Esso en stonden even later verwonderd onder de pier met allerlei pijpleidingen die van en naar de afmeerplaats in de fjord liepen. Een paradijs voor een industriëel fotograaf. Overal zag je stoom ontsnappen of hoorde je met veel gesis andere viezigheid de lucht in gaan. Erg op m'n gemak voelde ik me niet. Het leek alsof alle pijpen wel ergens lek waren. Je verwachtte dat ze elke minuut open konden springen.
Maffe pub
Milford was het einde van onze tocht. Een stadje, ooit begonnen als vissersdorp en nu geheel in de olie. Buiten de haven heeft het weinig ouds. Het centrum bestaat uit een drietal parallelle wegen met wat verbindingsstraatjes. Na wat inkopen lieten we het snel achter ons liggen en liepen naar het aan de grote weg gelegen dorp Steynton. De pub op de hoek leek ons de kortste weg naar een aanvaardbare kampeerstek. De kroegbaas nam ons achterdochtig op en wist geen enkele 'pitch' voor ons. "Maar er zijn hier toch wel boeren in de buurt?", probeerden we nog. Nee, er waren hier ook geen boerderijen! Nou ja, we staakten het zeuren en richtten onze verbaasde blikken op de uitgang. Een plaats in Engeland waar men geen kampeerhemen had leek ons onmogelijk, kortom, we sjouwden het zijweggetje in op zoek naar het eerste de beste huis met een flink veld. Ver hoefden we niet en dat de man die ons opendeed slechts een tijdelijke bewoner was, was ook geen onoverkomelijk probleem. We hadden ons stekkie gevonden, 500 meter van de kroeg.
Ondanks haar nabijheid hadden we 's avonds geen trek in zo'n maffe pub en planden onze terugreis lekker in onze eigen tent.
6.4 Anglesey AONB & Lleyn Penninsula AONB
Anglesey (Môn) - Lleyn - Kaarten en gidsen
Anglesey en Lleyn zijn twee fraaie kustgebieden in Noord-Wales. Hiervan is Anglesey nog wel het bekendst, met name als doorgangsgebied. Zowel het wegverkeer als het treinverkeer doorkruisen het eiland op weg naar Holyhead, de poort tot Ierland. Het feit dat een groot deel van het verkeer naar Ierland over het eiland raast, heeft echter weinig invloed op het afgelegen karakter van het eiland gehad. Net als Lleyn behoort Anglesey ('Ynys Môn') tot de uithoeken van Wales waar de Keltische sfeer nog overal aanwezig is. Vrijwel alle plaatsnamen zijn in het Welsh en veel inwoners spreken Welsh als eerste taal. Met name op Lleyn leeft de Keltische cultuur voort in vele sagen en legenden.
Anglesey
Het landschap van Anglesey contrastreert enorm met de bergen van Snowdonia op het vasteland van Wales. Hier liggen de oudste steensoorten van Engeland, afgesneden door de zee tot een laaggelegen plateau in tijden dat de zeespiegel hoger stond. De ondergrond bestaat voornamelijk uit een complexe structuur van precambrische afzettingen en metamorfe gesteenten en lijkt daarmee sterk op Schotland. Vanwege de vele glaciale afzettingen uit de tijd dat er grote ijsmassa's over het eiland schoven is het een vruchtbaar eiland. In vroegere tijden was het de graanschuur van Wales. Naast de vruchtbare stukken kom je ook ruige graslanden, moerassige gebieden en veel meertjes tegen. Het karakter van het eiland lijkt daarom wel op upland: kaal, veel stenen muurtjes, door de harde wind gebogen boompjes. Maar Anglesey is nergens hoog. Het plateau ligt op zo'n 60 meter boven zeeniveau. Slechts op enkele plaatsen rijzen er wat hogere toppen uit het land op, waarvan Holyhead Mountain met zijn klif van 220 meter de opvallende uitschieter is.
Uiteraard vormen de kust en de kliffen de grootste attractie van Anglesey. De kustlijn is vooral afwisselend en kleurrijk dankzij verschillen in steensoort. Omdat het niet druk is op Anglesey komen de rustzoekers ruim aan hun trekken. Natuur- en vogelreservaten vind je onder andere op Puffin Island (genoemd naar de 'puffins', de papegaaiduikers), bij Cemlyn Bay South Stack (Holyhead Mountain), Newborough Warren en Newborough Forest. De enige domper op het geheel is de grote kerncentrale bij Cemaes Bay.
Daarnaast is Anglesey beroemd vanwege de grote hoeveelheid prehistorische monumenten.
Een rondtocht over het eiland is het Anglesey Coast Path (200), uitgezet door een plaatselijke afdeling van de Ramblers Association. Het probeert zoveel mogelijk de kust te volgen via bestaande right of ways.
Bij Llanalgo ligt een historisch voetpad dat onder andere langs een indrukwekkend hunebed loopt.
Twee schitterende prehistorische grafkamers zijn een wandeling waard: Bryn Celli Ddu bij Llanfairpwllgwyngyll en Barclodiod bij Rhosneigr. Nederzettingen zijn te zien bij Din Lligwy bij Moelfre.
Anglesey kan slechts op twee manieren bereikt worden: met de auto over de Menai Suspension Bridge of per trein over de Brittannia Bridge. Beiden zijn schitterende bruggen. Vroeger kwamen treinreizigers op Anglesey als eerste aan op het voormalige station van
Llanfairpwllgwyngyllgogerichwyrndrobwllllandysiliogogogoch, beroemd geworden vanwege de waanzinnig lange naam. Het is het toppunt van de gewoonte in Wales om als plaatsnaam een beschrijving van de plek te geven, in dit geval: kerk-Maria-poel-witte-hazelaars-nogal-nabij-snelle-draaikolk-kerk-Tysilio-grot-rood.
Lleyn
Het schiereiland van Lleyn is minder bekend dan Anglesey, hoewel het eigenlijk nog mooier is. Het bestaat uit een schitterend oud landschap van smalle lanen en weiden ommuurd met een voor Groot Brittannië unieke perceelscheiding: begroeide muurtjes met turf en plaggen als cement.
Witgekalkte huisjes versieren het land, dat met enkele uitlopers van de bergen in Snowdonia afwisselender is dan op Anglesey. De hoge toppen in het noorden van het schiereiland zijn nog echt upland. Yr Eifl spant met zijn 564 meter de kroon en de noordwestkant van de berg heeft enkele fantastische kliffen. Naar het zuiden toe worden de losse heuvels lager, maar blijven fraai uitzicht bieden over de 'laars' van Lleyn en de bergen van Snowdonia op de achtergrond.
Gaspeldoorn en varen vormen de meest kenmerkende begroeiing van Lleyn. Al met al is het het deel van Groot Brittannië dat nog het meeste weg heeft van de westkust van Ierland.
Meerdaagse tochten
Er zijn geen uitgezette routes op Lleyn. De vele stukken kustpad zou je aaneen kunnen smeden tot een fraaie tocht.
Dagtochten
Op diverse plaatsen zijn mooie klifwandelingen te maken. Landinwaarts lenen de losse heuvels zich voor een beklimming.
Leuke punten
Op een aantal plaatsen liggen indrukwekkende prehistorische nederzettingen in de vorm van 'hill forts', zoals Castell Odo bij Aberdaron en Tre'r Ceiri, een oude keltische nederzetting op Yr Eifl.
Bardsey Island staat bekend om zijn ontelbare zeevogels en als het eiland van de duizend heiligen, die hier begraven zijn.
Het lange zandstrand Hell's Mouth heeft een woeste branding, die bij een stevige zuidwesten wind een aardig schouwspel oplevert.
Erg veel wandelinformatie over beide gebieden is er niet. Beschrijvingen van wandelmogelijkheden vind je terug in enkele boeken van Showell Styles.
Meerdaagse tochten - Dagtochten - Leuke punten - Kaarten en gidsen
Man is een vreemd eiland, al was het maar omdat het niet in de indeling van dit boek past. Het eiland heeft een prachtige lange kustlijn, vandaar dat ik het als kustgebied heb geklassificeerd. Maar binnenin vind je upland: ruig onherbergzaam moorland, waar je niet zonder goede uitrusting op stap moet gaan. De hoogste top, de Snaefell, is weliswaar slechts 620 meter hoog en per smalspoor bereikbaar, maar onderschat hem niet. De berg heeft trouwens een ongeëvenaard uitzicht: enerzijds de Wicklow en de Mourne Mountains in Ierland en anderzijds de Southern Uplands, het Lake District en Snaefell's broertje in Wales, de Snowdon.
Behalve dat Man vele Engelse landschappen in een note-dop heeft, trekt vooral de status aparte vele toeristen. Man heeft een eigen regering, eigen wetten, eigen geld, postzegels, noem maar op. En dan heb je nog het vrijwel uitgestorven Manx, een apart Keltisch taaltje. Man is een echt vakantie-eiland en staat bekend vanwege het gunstige belastingen en de jaarlijkse TT-motorraces. In de winter is het er erg rustig. Het eiland is dan alleen te bereiken vanuit Liverpool en Heysham. In de zomer varen er extra veerdiensten vanuit Llandudno, Fleetwood, Ardrossan, Dublin en Belfast.
Behalve de noordpunt is het Isle of Man een heuvelachtig eiland, op sommige plaatsen zelfs bergachtig. Steensoorten uit het Cambrium overheersen, met name leisteen. Alleen in het noorden en in het zuiden bij Castletown komen jongere gesteenten voor, zoals harde kalksteen uit het Carboon.
Wat vooral opvalt aan Man is de dichtheid van het wegennet. Bergachtig of niet, er is geen plekje op het eiland dat verder dan 3 kilometer van een verharde weg verwijderd is. Compleet verdwalen is daardoor vrijwel uitgesloten. Tevens betekent het dat je tijdens de motorraces het eiland beter links kunt laten liggen.
Het uitgebreide net van smalspoorlijntjes is helaas flink uitgedund. Momenteel rijdt er alleen nog een treintje tussen Douglas en Ramsey en de Snaefell op. De verlaten lijntjes zou je kunnen verkennen als wandelroute.
Enkele jaren geleden is men begonnen met het uitzetten van lange-afstandsroutes. Er bestaat nu een rondtocht om het eiland, het Rad Ny Foillan Coast Path (121), de meeuwen-route, die zoveel mogelijk de kustlijn volgt. Behalve enkele stukken fraaie kust, doorkruist de route ook de stedelijke gebieden rondom Douglas en Ramsey. Af en toe zijn stukken kustweg onvermijdelijk.
De Millenium Way (45) was de eerste lange-afstandsroute van Man en loopt van Ramsey naar Castletown. Een groot deel van de route gaat over de kale heuvels rondom de Snaefell.
Een uitgezette dagtocht is de Bayr Ny Skeddan (18), een tocht door het binnenland van Peel naar Castletown. Van Peel naar Port Erin is wellicht het mooiste en meest afgelegen stuk van de kustroute.
Snaefell kan van vele kanten beklommen worden, al valt de top vies tegen vanwege het smalspoortreintje en het feit dat je met de auto ook tot bijna bovenop de berg kunt komen. Probeer liever een rustigere top.
Spanish Head is de rotsige zuidpunt van het eiland met kliffen van 100 m hoog. Landinwaarts zijn de beboste dalletjes vaak zeer aantrekkelijk. De Sulby Glen in het noorden is het meest bekend. Het steile dal bij Glenmaye bevat een aantal watervallen.
Man bezit een flink aantal prehistorische monumenten, zoals de grafkamers Cashtal in Ard en Mull Hill, de nederzettingen bij Ronaldsway en het 'hill fort' op South Barrule.
De Isle of Man Highway & Transport Board geeft een prachtige 1:25.000 kaart uit waarop alle right of ways staan aangegeven en de hierboven genoemde uitgezette routes staan ingetekend.
Meerdaagse tochten - Dagtochten - Leuke punten - Kaarten en gidsen
Samen met de kust van Cleveland is de Northumberland Coast wellicht het mooiste stuk van de Britse noordoostkust. Tevens is het een van de rustigste kustgebieden, omdat het klimaat hier niet direkt uitnodigend is voor strandtoeristen. Het zeewater is behoorlijk koud en de vele zandstranden liggen meestal nogal onbeschut. Des te beter is de kust geschikt voor wandelingen over de stranden, duinen en kliffen.
Een van de meest opmerkelijke dingen aan deze kust is het voorkomen van de zogenaamde Whin Sill (zie ook 4.3.2), een basalt-achtig gesteente van vulkanische oorsprong. Aan de kust is dit harde gesteente, dat moeilijk verweert, de oorzaak van de ligging van Bamburgh Castle en de Farne Islands. Van Bamburgh Castle tot aan Alnwick is de Whin Sill steeds in de rotspunten langs de kust aanwezig.
Helaas loopt er hier geen uitgezette route langs de kust. Met behulp van de right of ways die op vele plaatsen langs de kust lopen is het goed mogelijk zelf een dergelijke route tussen Amble en de Schotse grens te maken.
Hoewel klein, kun je op de Farne Islands (natuurreservaat) een natuurpad volgen. De eilandjes met hun enorme hoeveelheid zeevogels en zeehonden zijn per boot te bereiken vanuit Seahouses.
Wanneer je je op de hoogte stelt van de getijden, is een dagtocht naar het prachtige Holy Island (Lindisfarne) een mogelijkheid. Heen en terug bij laag water over de drooggevallen zanden van het Lindisfarne National Nature Reserve of over het verharde weggetje.
Stukken kustpad lenen zich ook voor dagtochten, bijvoorbeeld van Craster naar Dunstanburgh Castle en terug door het binnenland.
Indrukwekkend en fraai gelegen zijn de op rotspunten van de Whin Sill gebouwde kastelen zoals Bamburgh Castle en Dunstanburgh Castle. Het kasteel op Lindisfarne is weliswaar kleiner, maar wat betreft de situering vergelijkbaar.
Natuurreservaten zijn verder te vinden ten zuiden van Berwick-upon-Tweed en Beadnell.
De verschillende kustplaatsjes zijn erg aardig. Bijzonder is de ligging van Warkworth bij Amble, op een halfronde meander in de rivier Coquet.
Je zult het met de stafkaarten moeten doen, aangezien wandelgidsjes niet voorhanden zijn.
Meerdaagse tochten - Dagtochten - Leuke punten - Kaarten en gidsen
Norfolk, het noordelijke deel van East Anglia, behoort eigenlijk voor een groot deel tot de Chalklands (zie 5.4). Het grootste deel van de krijtlagen is hier echter weggezakt en bedolven onder veel jongere lagen. Wat er aan kalk te zien is is een golvende rug in het westen van Norfolk, amper 100 meter hoog en met af en toe een steile westrand. De oude Peddars Way, een voortzetting van de Icknield Way, loopt hierover. Waar de rug de zee bereikt, tussen Hunstanton en Cley-next-the-Sea, is de krijtrots te zien in lage kliffen.
Eén kenmerk van the Chalklands is in geheel Norfolk duidelijk aanwezig: het voorkomen van vuursteen. De vuursteenlagen in de zachte kalksteen vormden de enige harde bouwstenen in het gebied. Vooral aan de kust, waar de vuursteen op de stranden in grote hoeveelheid voor het oprapen ligt zijn veel huizen en kerken opgetrokken uit vuursteen. Kenmerkend zijn de gebouwen waarvan de hoekstenen uit baksteen bestaan met daar tussenin een grillige hobbelstructuur van door de zee afgeronde vuursteenkiezels.
De kust is ongetwijfeld het meest aantrekkelijke element in Norfolk. Niet voor niets is het gedeelte tussen Kings Lynn en Mundesley tot AONB verklaard. Grofweg kun je deze kuststrook in twee helften opdelen: het al genoemde gedeelte tussen Hunstanton en Cley-next-the-Sea en het deel tussen Cley en Mundesley.
Het eerste deel is eigenlijk een waddenkust. Onderaan de klifrand van de golvende krijtheuvels heeft zich een enorm waddengebied gevormd, bestaande uit grote kwelders, droogvallende platen en grindbanken. Een westelijke stroming in zee voert zand en grind mee en zet dit af in lange banken waarbinnen zich een getijdengebied vormt met slikken en schorren. Twee voorbeelden zijn de grindbank die van Cley-next-the-Sea naar Blakeney Point loopt en de bank van Scolt Head. Beiden zijn prachtige natuurgebieden met grote flora en fauna, met name zeevogels.
De kalkkliffen liggen zodoende niet meer aan zee, maar meer landinwaarts. Dat blijkt ook uit de plaatsnamen van de oude vissersplaatsjes die op die klifrand liggen: ze liggen niet meer áán zee, maar 'next-the-Sea' (naast de zee). Alleen Hunstanton is aan het aanslibben van land ontkomen: Het stadje verheft zich op lage krijtrotsen boven de zee.
Het gedeelte tussen Cley-next-the-Sea en Mundesley is van heel andere aard. Gedurende de ijstijden was Norfolk het toneel van het komen en gaan van gletsjers. Vele afzettingen stammen uit deze tijd. De meest opvallende is de zogenaamde Cromer Ridge, een beboste morenenwal die ongeveer tussen de plaatsen Cromer en Holt ligt. Diverse gletsjers hebben hier lange tijd hun eindpunt gehad, waardoor zich een enorme hoop materiaal dat door de gletsjers werd aangevoerd kon ophopen. De aldus ontstane rug is over de 100 meter hoog en bestaat uit materiaal variërend van klei tot grote rotsblokken, een typisch kenmerk van een morenenwal.
De zee vormt een grote bedreiging van deze morenenwal. In snel tempo wordt de rug afgebroken en ontstaan kliffen. Waar de branding vrij spel heeft, zoals bij Weybourne, worden de glaciale afzettingen scherp afgesneden, op andere plaatsen wordt de morenenwal ondergraven en gaat het losse materiaal schuiven. Onderaan de kliffen liggen de restanten van de morenenwal in de vorm van stranden van zand en kiezels. Een probleem van deze kust is dat dit strandmateriaal door zeestromen wordt afgevoerd waardoor de klifkust verder ten prooi valt aan de zee. Behalve de hiervoor genoemde westelijke stroom voor de kust, wordt het strandmateriaal bij de Cromer Ridge voornamelijk afgevoerd langs de kust naar het zuidoosten. Net als op vele plaatsen aan de Nederlandse kust zijn dan ook pieren gebouwd om deze verplaatsing van strandmateriaal tegen te gaan.
Een groot deel van de jongste National Trail, de Peddars Way & North Norfolk Coast Path (151), loopt langs de kust van Norfolk, tussen Hunstanton en Cromer. De Peddars Way Association heeft actuele informatie over de route. Van Cromer naar Great Yarmouth kun je verder lopen over een verlenging (63) die beschreven is in 'A Guide to the Norfolk Way'. Een alternatief hiervoor is de Weavers Way (90) die landinwaarts naar Great Yarmouth loopt.
Vele stukken van het National Trail lenen zich als dagtocht. Tussen Weybourne en Cromer kun je een stuk klifwandeling prima combineren met een route terug door de bossen en heuvels landinwaarts. Anderzijds is in dit gebied openbaar vervoer aanwezig in de vorm van bus en trein. Bij Cromer zijn overigens een aantal gemarkeerde wandelingen uitgezet.
Een wandeling naar Blakeney Point vanuit Cley-next-the-Sea is zeer de moeite waard voor liefhebbers van plantjes en vogels. Eventueel kun je voor de terugweg een boottocht regelen.
Blakeney Point en Scold Head zijn natuurreservaten in bezit van de National Rust.
Leuke visersplaatsjes zijn Brancaster, Wells-next-the-Sea en Cley-next-the-Sea.
Voor het verkennen van de kust kunnen de twee gidsjes van het lange-afstandspad nuttig zijn. Verder is er op wandelgebied niet veel verkrijgbaar over de kust van Norfolk.
Meerdaagse tochten - Dagtochten - Leuke punten - Kaarten en gidsen
Het eiland Wight is een beroemd vakantieoord aan de Britse zuidkust. De Solent, de zeestraat die het eiland van het vasteland van Engeland scheidt, vormt nauwelijks een belemmering. Prachtige stranden en een mild en zonnig klimaat trekken duizenden Engelsen naar dit kleine kneuterige eiland, dat sinds de Victoriaanse tijd nauwelijks veranderd lijkt te zijn. Een wandelaar heeft er niets te zoeken, zou je denken. De realiteit is echter anders. Ondanks het massa-toerisme blijft er voor de wandelaar nog veel over om van te genieten.
Wight is een klein eiland in de vorm van een ruit. Ondanks de bescheiden omvang herbergt het een veelheid aan landschappen. In feite is het zuidoost-Engeland in het klein: alle kenmerken van de brede vallei van de Thames, de North en South Downs en de Weald zijn hier aanwezig (zie 5.4 en 5.5).
Dwars over het eiland, van de westpunt naar de oostpunt loopt een smalle heuvelrug, die het eiland opdeelt in twee helften. Deze rug bestaat zoals bijna overal in zuidoost-Engeland uit witte kalksteen uit het Krijt. Op één plaats heeft de heuvelrug een verbreding, rondom de Brightstone Down. De krijtheuvels zijn hier inderdaad echte 'downs', met bossen, droge dalen en een waardige hoogte van 200 meter. De hoge krijtheuvels krijgen hun vervolg op de zuidpunt van het eiland, na een tussenliggend gebied met oudere afzettingen zoals in de Weald. In tegenstelling tot deze gevarieerde zuidelijke helft, is het noorden van het eiland evenals de Thames-vallei bij London een relatief vlak gebied met jongere klei- en zandafzettingen uit het Tertiair. De drie rivieren van Wight, de West Yar, Oost Yar en de Medina, vallen op omdat ze door de centrale heuvelrug zijn gesneden. Ook deze 'poorten' zijn typerend voor de Chalklands in zuidoost-Engeland.
In de kust van Wight vind je alle verschillende afzettingen weer terug, hetgeen de grote kleurrijkdom van de kliffen en de afwisseling tussen kliffen en baaien verklaart. Het hoeft geen betoog dat de kust van Wight dé attractie van het eiland is. De centrale kalkrug heeft twee magnifieke uiteinden. In het westen liggen de witte 'haaievinnen' van The Needles naast de prachtige kleuren in de kliffen boven Alum Bay, een baai de die zee makkelijk kon wegslaan in de jongere zachte zand- en kleilagen. Aan het oostelijk uiteinde vormen de witte krijtrotsen van Culver Cliff en de Whitecliff Bay een identiek contrast.
De kliffen van zachte kalksteen aan de zuidpunt geven een andere aanblik. Tussen Ventnor en St. Catherine's Point ligt de zogenaamde 'Undercliff', een grillig gevormde kuststrook met een weelderige begroeiing. De dikke kalklagen hebben hier de neiging om bij tijd en wijle te gaan schuiven, aldus een gevaar opleverend voor de kustweg. Deze landverschuivingen ontstaan omdat onder de krijtlagen zich een ondoorlatende laag van natte klei bevindt. Waar deze laag boven zeenivo ligt, ontstaan bronnen van het afstromende grondwater, waardoor de bovenliggende zand- en kalklagen kunnen gaan schuiven en instorten. Eenzelfde verschijnsel doet zich ook voor langs de kust bij Folkestone, langs de North Downs Way.
Hoewel de krijtrots niet bepaald een harde steensoort is, worden op Wight vrijwel alle landhoofden gevormd door de zachte kalksteen. De oudere lagen die ook in de Weald voorkomen, vertonen minder weerstand tegen het geweld van de zee, zoals blijkt uit de baai van Sandown. In de lage klifrand van de baai zijn al deze lagen aanwezig, van het Greensand tot en met het Wealden-zand. Ze geven de kliffen een groen-gelige tint.
De jongere steenlagen in het noorden van het eiland geven geen aanleiding tot kliffen. Als er al kliffen zijn, dan zijn ze laag en begroeid. Met enkele brede riviermondingen en veel bossen lijkt deze kust als twee druppels water op de kust van het vasteland. De brede Solent is eigenlijk niet veel meer dan een grote rivier.
Natuurlijk is de variatie aan klifkusten niet het enige wat Wight te bieden heeft. Veel toeristen komen op de lieflijke dorpjes af. Het moet gezegd, vele dorpjes verkeren in perfecte staat, alles even netjes en mooi onderhouden. Een kerkje, huizen en cottages met rieten daken, een oude pub, een plaatselijk landhuis of kasteel, dit alles omgeven door statige bomen, parken en bospercelen. Het zou een soort miniatuur-Engeland kunnen zijn, al is het dan op ware grootte. Voor een wandelaar allemaal erg aardig om te bezichtigen, ware het niet dat het er altijd druk is. Hetzelfde geldt voor de grotere plaatsen aan de kust. Op zich interessant vanwege de sfeer van typische Britse kuststeden: een grote boulevard met schitterende Victoriaanse huizen. In het hoogseizoen echter beter te mijden.
Het eiland bezit een grandioos net van voetpaden, die moeiteloos aaneengekoppeld kunnen worden tot een lange-afstandsroute. De lokale overheid heeft op basis hiervan het Isle of Wight Coastal Footpath (105) uitgezet, een rondtocht om het eiland die zoveel mogelijk de kustlijn volgt. Een particulier initiatief is het Isle of Wight Heritage Trail (121), die alle bezienswaardigheden van het eiland met elkaar verbindt.
Hoewel meerdaagse tochten goed mogelijk zijn, is Wight perfect geschikt voor het maken van dagtochten vanuit een vaste verblijfplaats. De goede busverbindingen dragen hier in het bijzonder aan bij. Naast het kustpad zijn ook een achttal korte 'trails' gemaakt, variërend in lengte van 6 tot 24 kilometer. De 'trails' zijn beschreven in folders. Heel bekend is het Tennyson Trail (24) van Newport naar Alum Bay over de hoge Brightstone Down ('het dak van het eiland'), die uitzicht biedt over het hele eiland. Samen vormen de trails een netwerk, zodat je ook nog combinaties van routes kunt maken. En als dat nog niet genoeg is, kun je je toevlucht nemen tot een van de zes natuurpaden.
Vrijwel het gehele eiland is het bezichtigen waard. Enkele van de bijzonder schoonheden zijn al genoemd, zoals de vele kliffen: the Needles, Culver Cliff, the Undercliff, de kliffen tussen Shanklin en Sandown, en Rocken End met de vuurtoren van St. Catherine's Point. Van de baaien zijn vooral Alum Bay en Whitecliff Bay interessant.
In de zuidkust van het eiland liggen op vele plaatsen diepe kloofjes, die hier 'chine' worden genoemd. Ze zijn ontstaan doordat de zee grote stukken land wegsloeg en het afstromende water een groter verval kreeg en zich dieper ging insnijden. De bekendste kloofjes zijn de Shanklin Chine en de Blackgang Chine.
Van de schattige dorpjes zijn vooral die in het zuiden, zoals Godshill, Wroxhall en Shorwell beroemd. De commercie heeft er echter ook van geprofiteerd. Reken in ieder geval op drukte.
Enkele jaren geleden is een schitterende 1:25.000 Outdoor Leisure Map van het hele eiland uitgebracht. De 1:50.000 kaart valt hierbij in het niet. Naast de al genoemde folders van de uitgezette paden, zul je ook wandelgidsjes kunnen vinden. Er bestaat ook een gidsje van het hele kustpad.
6.9 Waddenkusten en overige kustgebieden
Waddenkusten - Arnside en Silverdale - Solway Coast - Overige kustgebieden - Zuidoost-kust - Suffolk Coast - Kaarten en gidsen
Naast al deze vele klifkusten bestaat een flink deel van de Britse kust uit waddenkusten, waar het getij een grote rol speelt en bij eb grote platen droogvallen. Het zijn daardoor rijke natuurgebieden. Vooral liefhebbers van de Nederlandse Waddenzee zullen hierin geïnteresserd zijn. Evenals de in Waddenzee zijn in de Britse waddenkustgebieden de vogels en zeehonden in grote getalen aanwezig.
Langs deze kusten kan vaak gewandeld worden over dijkjes en dergelijke. Soms zijn tochten over de droogvallende platen mogelijk. Op deze 'flats' komen zelfs right of ways voor. Ik zou hier echter niet zonder gids op stap gaan.
Voor ervaren wadlopers is het leuk te weten dat er ten zuiden van het Lake District wadgelopen kan worden. Bij eb valt een groot deel van de Morecambe Bay droog. Er loopt zelfs een right of way van vlakbij Morecambe naar Kents Bank. De schitterende beboste heuveltjes van het Arnside and Silverdale AONB bieden prachtige uitzichten over de drooggevallen baai en het Lake District. De 150 meter hoge bulten bestaan uit harde kalksteen en vormen een wandelparadijsje op zich.
Dit ten noorden van het Lake District gelegen kustgebied is met recht een waddenkust. Het is vlak, heeft enkele zandstranden en uitgestrekte kwelders, waarvan enkele in beheer zijn bij de National Trust. Een flink deel van de Solway Firth valt met eb droog. De Southern Uplands, aan de overzijde, zijn echter onbereikbaar en slechts van een afstand te bewonderen. Helaas zijn de wandelmogelijkheden nogal beperkt vanwege het geringe aantal voetpaden langs de kust.
Hoewel er natuurlijk nog heel wat kustgebieden overblijven, wil ik er twee nog even aanroeren.
De kust van Kent kent behalve de krijtrotskliffen van het voormalig eiland Thanet en die tussen Folkestone en Deal ook vlakkere kusten. De Saxon Shore Way (217) volgt deze kust, zoals ze moet zijn geweest in de tijd van de Saksen, toen Thanet nog een echt eiland was. De route start in Gravesend en eindigt in Rye. Het begin van het pad, langs de zijarmen van de Thames, loopt door nogal geïndustrialiseerde en vervuilde stukken.
Suffolk Coasts and Heaths AONB
Deze vlakke kuststrook ten noorden van Felixtowe is een prachtig krekengebied afgewisseld door bos, heide en zoute moerasgebieden. Het wordt doorkruist door het Suffolk Coast Path (80), een gemarkeerde route van Felixtowe naar Lowestoft. Ten zuiden van Aldeburgh ligt een van de vreemdste kustvormen van Groot Brittannië. Door een zuidelijke zeestroming langs de kust zijn hier enorme grindbanken afgezet, die de monding van de rivieren Alde en Ore kilometers naar het zuiden heeft verlegd.
Van genoemde gebieden bestaan soms wandelgidsjes, anders moet je terugvallen op de 1:50.000 kaarten.