Hoofdstuk 3. Het Engelse land
Natuurlijke kenmerken (geologie - klimaat - vegetatie, flora en fauna) - Gebiedsindeling
Op een wandeling buiten de steden kom je vrijwel altijd dingen tegen die vragen oproepen. Vragen over het ontstaan van bepaalde landschapskenmerken, over bloemen en planten, over gebouwen enzovoorts. Ik ken weinig mensen die nooit eens stilstaan bij iets wat hen tijdens de wandeling opvalt. Eerder zijn bepaalde eigenschappen van gebieden aanleiding om juist dáár eens te gaan wandelen.
In dit hoofdstuk wil ik wat algemene achtergrondinformatie over het Britse land geven, zowel wat betreft de natuurlijke kenmerken als enkele door de mens geschapen karakteristieken. Daarbij ontkom ik er niet aan om af en toe wat wetenschappelijk te worden. Tenslotte mondt dit uit in een indeling van de Britse wandelgebieden.
Geologie - Klimaat - Vegetatie, flora en fauna
Voor de oorsprong van vele landschapskenmerken moet je naar de geologie. Groot Brittannië is geologisch gezien zeer afwisselend. Op sommige plaatsen komen enorm oude gesteenten aan de oppervlakte, andere gebieden zijn geologisch net zo jong als Nederland en Vlaanderen.
De geologische geschiedenis van het Britse eiland is moeilijk in het kort weer te geven, maar ik zal een poging wagen. Hierbij gebruik ik het geologisch tijdschema op pagina ..
Pre-cambrium
Het verhaal begint ongeveer 500 miljoen jaar geleden. Voor die tijd, in het pré-cambrium, was er al zeer veel gebeurd, maar daar weten we vrij weinig van af. Vele gesteenten die in Schotland aan de oppervlakte komen waren reeds gevormd. Op een paar plaatsen in Wales (Anglesey, Pembrokeshire, Malvern Hills) komen deze gesteenten ook aan de oppervlakte. Vanaf het Cambrium kunnen de geologen beter vertellen hoe de ontwikkeling van gesteenten is verlopen. Hoewel het moeilijk voorstelbaar is, moet je je realiseren dat het Britse eiland sinds die tijd afwisselend onder en boven de zeespiegel lag en dat er tussen het Cambrium en onze tijd hele gebergten zijn ontstaan en ook weer helemaal door erosie zijn afgesleten.
Wat ook niet zo makkelijk te bevatten is, is dat afzettingen van klei, zand, grind, veen etc. die op een bepaald moment ontstaan, miljoenen jaren later door grote druk en/of hitte veranderd kunnen zijn in gesteenten.
Paleozoïcum
Maar goed, in het Cambrium lag een groot deel van Engeland onder zee. Op de zeebodem, zoals op elke zeebodem, ontstond langzaam een pakket sedimenten. In deze periode vooral zand en klei. Aan het einde van deze periode was er vulkanische aktiviteit op de plaatsen waar nu het Lake District en Noord Wales liggen, zodat daar op de bodem van de zee ook lava kwam te liggen.
Gedurende het Siluur ging de sedimentatie op de zeebodem gewoon door totdat aan het eind van deze periode al deze sedimenten in beweging werden gebracht door de Caledonische plooiing. De zeebodem werd omhooggedrukt en in plaats van een zee ontstond er een enorm gebergte. De horizontale sediment-lagen werden opgevouwen (geplooid), waarbij de richting van de vouwen ongeveer noordoost-zuidwest was, de Caledonische richting. Deze richting is tot de dag van vandaag nog steeds de overheersende richting in de struktuur van de gebergten in Wales, het Lake District en Schotland.
Alleen aan Cornwall en Devon ging de gebergtevorming voorbij. Tijdens het Devoon ging de sedimentatie in de nog aanwezige zee door en ontstonden de gesteenten die nu in Devon te zien zijn. Het gevormde gebergte stond bloot aan erosie en sedimentatie vond alleen plaats in meren aan de voet van het gebergte. Deze afzettingen leverden later de rode zandsteen op die in Engeland bekend staat als 'old red sandstone'.
We zijn toe aan het Carboon. Inmiddels was het gebergte al weer nagenoeg afgesleten en verdween een enorm deel van Engeland weer onder de zee. Alleen de Schotse hooglanden bleef dit bespaard. In deze periode werd onbewust een basis gelegd voor de Industriële Revolutie in de 18e eeuw.
In de zee werden kalkrijke sedimenten afgezet, de latere 'mountain limestone'. Dit pakket werd flink dik en in de ondiepe zee ontstonden delta's waarin zandige sedimenten het ontstaan van de latere 'millstone grit' inluiden. Moerasbossen, die op grote schaal in de lagunes gingen groeien zorgden voor flinke veenpakketten, en verklaren de huidige aanwezigheid van steenkoollagen in Noord-Engeland en Zuid-Wales. Dezelfde steenkool die tot op de dag van vandaag een enorme invloed heeft gehad op het ontstaan van de sociale struktuur van de huidige Engelse bevolking.
Het Carboon werd afgesloten met een periode van gebergtevorming, de Hercynische plooiing (genoemd naar de Harz in Duitsland). De nieuw gevormde gesteenten werden vooral in Zuid-West Engeland flink geplooid; de Hercynische plooiingsrichting oost-west is met name in de strukturen van het zuidwestelijk schiereiland, de Mendip Hills en Zuid Wales goed zichtbaar. Verder noordwaarts is de invloed van deze opwelving veel minder merkbaar.
Mesozoïcum
Door de opwelving ontstond een totaal andere situatie: Engeland werd een woestijn. In deze periode, het Perm, sleet het gebergte weer af en werden plaatselijk zand-afzettingen neergelegd, de latere 'new red sandstone'. Langzaam daalde het gebied, trok de zee binnen en begon het Jura-tijdperk (genoemd naar de Zwitserse Jura, niet naar het Schotse eiland).
In de grote zee ontstond met name harde kalksteen. Tegen het einde van de periode kwam West Engeland boven de zee te liggen en sleten de Jura-lagen daar weer weg.
Het Krijt brak aan met een uitbreiding van de zee over grote delen van Engeland. Schotland bleef echter droog. Gedurende lange tijd bleven de omstandigheden gelijk en vormde zich een enorme kalklaag op de zeebodem. Met het omhoogkomen van die zeebodem eindigde het Krijt en lag het droge Engeland geheel onder een witte laag kalksteen, met uitzondering van een aantal hogere pieken in o.a. Noord Wales. Op Schotland na had het Britse eiland verder weinig reliëf.
Tertiair
Na het Krijt heeft de zee nimmer zo'n groot deel van het Britse eiland overspoeld. De vorming van sediment-gesteenten van zand en klei tijdens het Eoceen en Oligoceen vond nog slechts plaats in lager gelegen gebieden waar de zee af en toe bezit van nam. In overige gebieden zorgde erosie voor het ontstaan van vlakten en kwamen oudere gesteenten weer onder de gesteenten uit Jura en Krijt te voorschijn. In West-Schotland had vulkanische aktiviteit plaats op Skye, Rhum, Ardnamurchan, Mull en Arran.
In het Mioceen werden de Engelse vlakten tijdens de Alpidische plooiing omhooggedrukt tot grote plateau's. Het Lake District werd als een koepel opgedrukt en kreeg zijn huidige radiale patroon van dalen. Alleen in het zuid-oosten zorgde de opwelving van de Alpen voor samendrukken van de gesteentelagen en ontstonden de plooien die nu zichtbaar zijn in de heuvelruggen. Met de voltooiing van de Alpidische gebergtevorming kregen de gesteenten in Groot Brittannië namelijk de huidige struktuur. Rivieren begonnen zich vanaf dat moment te ontwikkelen tot de rivieren die je nu aantreft; vele huidige landschapskenmerken begonnen zich toen langzaam af te tekenen.
De voornaamste kenmerken van het Plioceen ontstonden door een stijging van het land aan het einde van deze constante periode. Rivieren die vlakke aflopende dalen hadden geslepen gingen zich als gevolg hiervan weer dieper insnijden en de vlakten die aan de kust door de branding waren ontstaan kwamen nu als een platform een stuk boven zeeniveau te liggen.
Kwartair
Een van de meest kenmerkende landschapsvormen is ontstaan in het Pleistoceen, door het komen en gaan van gletsjers. In deze periode wisselden (relatief) warme en koude tijden elkaar af en breidde de ijskap zich uit of trokken de gletsjers zich terug. De Hooglanden van Schotland, het Lake District en Noord Wales waren centra van vergletsjering. Zuidelijker dan de lijn Bristol - London is het ijs echter nooit geweest. Alle glaciale kenmerken zoals U-vormige dalen, drumlins en morenenwallen komen dus alleen boven deze lijn voor.
Na de ijstijden bleef een bebost Groot Brittannië over en steeg de zeespiegel, waardoor vele glaciale dalen volliepen. De westkust van Schotland maar ook enkele dalen in Pembrokeshire en Cornwall zijn er voorbeelden van. Vanaf deze tijd is ook de mens aktief en vooral de laatste twee eeuwen heeft dit grote invloed op het land gehad. Waarschijnlijk is de ontbossing wel de meest opvallende menselijke invloed geweest. Voor een wandelaar in Schotland is het vaak onvoorstelbaar dat de prachtige groene bergen en dalen eens een groot naaldwoud geweest moeten zijn.
Als ik voor het raam sta en buiten een trieste grauwe lucht ontwaar waaruit een miezertje naar beneden valt mompel ik vaak: "echt Engels weer". Het is het soort weer dat je associeert met de triestheid van de eenvormige zwartgeblakerde arbeiderswijken in een Engelse industriestad. Uit elk huis een rookpluim van de steenkool-kachel.
Maar als ik mijn dagboeken van al mijn tochten in Groot Brittannië herlees valt het me altijd op dat ik zelden slecht weer heb getroffen. Strakgrijze luchten waar je mee op staat en mee naar bed gaat kan ik me in Engeland nauwelijks herinneren. Toch heeft Engeland zo'n slechte naam als het om het weer gaat, dat je dat als vanzelfsprekend aanneemt. Misschien komt het omdat de Britten zelf ook altijd en eeuwig over het weer zeuren. Een stralende middag blijft door de Britten nooit onopgemerkt: "A lovely afternoon, isn't it?". Het weer is in Engeland niet zo'n afgezaagd onderwerp van gesprek als bij ons.
Het klimaat in Groot-Brittannië is mild. Extremen in temperatuur zijn zeldzaam. Lastiger zijn de extremen in wind en neerslag. Styhead, midden in het Lake District, spant de kroon met zijn gemiddelde van 4,38 meter regen per jaar. Gelukkig zijn er ook drogere gebieden. De recordhouder is een dorpje ten oosten van London aan de kust: een gemiddelde van nog geen 500 mm per jaar!
Meer dan ons land heeft Groot Brittannië een zeeklimaat. Gedurende een groot deel van het jaar bestaat het weertype uit een opeenvolging van depressies die over de Atlantische Oceaan aan komen zetten en al dan niet een hoop regen met zich mee brengen. Waar de fronten boven land komen wordt de lucht omhoog gedrukt, koelt daardoor af en de aanwezige waterdamp condenseert tot druppels die gaan vallen. En hoe hoger de heuvels, hoe sterker dit proces zich voordoet. Voor Groot Brittannië betekent dit dat het aan de west-kant veel meer regent dan aan de oost-kant van het eiland. Niet alleen komen de depressies eerst in het westen aan, aan de westkust liggen ook de heuvels en bergen.
Een groot voordeel van deze weerstruktuur is dat het slechte weer zelden lang aanhoudt. Een gestage regenbui die de hele dag duurt komt haast nooit voor. De Britse volkswijsheid 'rain before seven, fine by eleven' is echt niet uit de lucht gegrepen. Regenzones trekken meestal binnen een paar uur over.
Uiteraard is het nadeel van het veranderlijke weer voor een wandelaar minstens zo belangrijk. Ook al is het 's ochtends stralend weer, je kunt er nooit zeker van zijn dat dat de hele dag aanhoudt. Niet voor niets loopt de stereotype Brit altijd met een paraplu. Tenzij je het geluk hebt dat een hogedrukgebied zich boven de Britse eilanden heeft genesteld. Dan kun je rekenen op aanhoudend fraai weer. Meestal is het weer echter zo wispelturig dat je een opgeklaarde middag moet benutten om een leuke heuvel te beklimmen en een regenachtige ochtend gewoon moet uitslapen.
Statistieken
Om een indruk te geven van de weersgesteldheid in een aantal plaatsen in Engeland heb ik wat statistische gegevens opgenomen, en ter vergelijking die van De Bilt. (De gegevens van het Belgische weerstation Ukkel zijn vrijwel identiek.) Deze gegevens kunnen een hulp zijn bij het kiezen van vakantiebestemming en gunstigste tijd van het jaar. Ondanks dat blijft het toch een kwestie van goed geluk en vooral een niet te hoge verwachting. Ik ging meestal weg met het idee elke dag twee regenbuien te krijgen en kwam dan tevreden thuis: het viel weer reuze mee.
(invoegen hoofd3kl.tab)
Bij de tabellen horen twee opmerkingen.
1 Ik moet er wel op wijzen dat de temperaturen gemeten zijn op zeeniveau. Voor Snowdonia bijvoorbeeld gelden in januari temperaturen van gemiddeld 6,1°C. Aangezien de temperatuur met elke 100 meter stijging ongeveer 0,6 graden daalt, betekent dat het bovenop de Snowdon in de winter gemiddeld om het vriespunt is.
2 Het blijven gemiddelden. Hittegolven zijn de Britse eilanden niet vreemd. En je moet ook niet raar opkijken als je midden in de zomer bij het beklimmen van een bergtop in Schotland overvallen wordt door een hagelbui.
Verschillen
Opvallende verschillen in temperatuur tussen Groot Brittannië en onze lage landen zijn vooral de hogere temperaturen in de winter, met name in het zuidwesten. De invloed van de westelijke stroming over de Atlantische Oceaan doet zich hier goed gelden. In Cornwall kan het in de winter heel aangenaam zijn. In Penzance heb je gemiddeld slechts een halve dag sneeuw per jaar. Niet voor niets kunnen er aan de westkust subtropische planten groeien.
Ook de zomertemperaturen worden door de zee gematigd. Terwijl het aantal uren zon per dag nauwelijks verschilt van dat in Nederland en België is het in Groot Brittannië gemiddeld iets koeler dan op het vasteland. Oost-Engeland vormt een uitzondering: Een badgast in Scheveningen kan in juli beter de Noordzee oversteken en aan de Engelse oostkust op het strand gaan liggen.
Echt winteren doet het alleen in de oostelijke Schotse Hooglanden en soms in de hogere gebieden van Noord-Engeland en Wales. In de Cairngorms sneeuwt het gemiddeld 55 dagen per jaar; Aviemore is dan ook een bekend ski-oord. In Engeland spant Buxton in het Peak District met 25 dagen per jaar sneeuw de kroon. Ter vergelijking: De Bilt heeft er 19.
Regenen doet het vooral in het westen van Groot Brittannië. In het oosten van Engeland is het echter iets droger dan bij ons. Wat opvalt is dat de hoeveelheid neerslag in Zuid-West Engeland in de zomer vergelijkbaar is met die bij ons, maar in de winter bijna twee keer zo groot wordt. De cijfers van Snowdonia schrikken misschien erg af, maar ik ken dan ook weinig mensen die daar mooi weer gehad hebben. Veel Engelsen menen dat dit gebied een eigen klimaat heeft: regenzones blijven er lang hangen.
Wat veel mensen zich niet realiseren is dat het in Groot Brittannië veel waait. De wind heeft een enorme invloed op het weer. Vooral in het westen liggen de gemiddelde windsnelheden een stuk hoger dan in onze landen. Aangezien er vaak sprake is van open landschappen moet je daar als wandelaar zeker rekening mee houden. In de kale heuvels en bergen waait het altijd harder. Hoewel de temperatuur van de lucht in de zomer dan misschien al gauw 15°C is, kan het door de harde wind aanvoelen als 5°C. Wildkampeerders raad ik aan altijd een beschutte plek te kiezen. Mocht het flink gaan waaien dan is het hoog in de heuvels al gauw windkracht 8.
Tenslotte de mist. Volgens de statistieken zijn de Dartmoor en het Peak District de recordhouders met respektievelijk 83 en 47 dagen per jaar mist. Enkele grote steden zoals Birmingham en London volgen met een gemiddelde van een kleine 40 dagen per jaar. Ter vergelijking: De Bilt heeft ongeveer 30 dagen mist per jaar. Zeker zullen de bergtoppen aan de Britse westkust veel vaker in de wolken liggen, maar het komt zelden voor dat je niet onder de mist uit kunt komen. In Bangor bijvoorbeeld, onderaan het bergmassief van Snowdonia, komen slechts 2 mist-dagen per jaar voor.
3.1.3 Vegetatie, flora en fauna
Net als onze landen was Groot Brittannië eens helemaal bebost. In het noorden uitgestrekte naaldwouden van de Scotch Pine, in het zuiden grote loofbossen en moerassen. Weinig is er nog van over. Groot Brittannië is met zijn 5% bosoppervlak een van de minst beboste landen. Om die reden zijn er de laatste jaren enorme arealen bos aangeplant.
Toch speelt de boom een grote rol in het Engelse landschap. Alleen in de hoge heuvels en bergen is hij afwezig. Boomgroei blijft daar beperkt tot de beschutte dalletjes en aangeplante bossen. In het Britse cultuurland staan mijns inziens echter opvallend veel bomen. Als je enkele platte gebieden in oost-Engeland buiten beschouwing laat, is de conclusie dat vele bomen in het cultuurland bewaard zijn gebleven, in tegenstelling tot Nederland, waar de verkaveling vele landschapskenmerken heeft vernietigd. De Britse lappendeken van velden en akkers is ondenkbaar zonder af en toe een statige eik, iep of es.
Minstens zo opvallend zijn de Engelse hagen. In vele streken zijn de hagen nog steeds als perceelscheiding in gebruik en worden dus goed onderhouden. Vrijwel elke boomsoort heeft de Brit in het keurslijf van een haag weten te dwingen. Eerst wordt een jonge boom half gekapt en horizontaal gelegd. De nieuwe zijtakken worden dan regelmatig gesnoeid, zodat een dichte haag ontstaat. Behalve dat de hagen samen met de verspreide bomen een groot deel van het cultuurlandschap bepalen, vormen ze ook een perfecte schuilplaats en voedselbron voor vele plantensoorten en een rijke vogelstand. Aan de rand van een akker of in de berm van een weggetje tref je bij de haag altijd een flinke variatie plantjes aan. Wat dat betreft is Nederland met zijn altijd gemaaide bermen een saai land.
Voor zover het Britse land nog wel uit bos bestaat, heb je te maken met twee typen: echt bos en aangeplant bos. Vrijwel altijd komt dit overeen met loofbos en naaldbos. Behalve in de Schotse hooglanden, waar nog enkele restanten van het oorspronkelijk dennenbos voorkomen, geldt de stelregel dat al het naaldbos aangeplant productiebos is. Daarentegen zijn loofbossen vaak overblijfselen van de oorspronkelijke bebossing en daardoor veel fraaier en rijker wat betreft soorten en ondergroei. Gelukkig geeft de Ordnance Survey op haar kaarten het onderscheid tussen naald- en loofbos aan.
Het verdwijnen van de bossen heeft enorme invloeden op het land gehad. Zolang er mensen zijn geweest vond er ontbossing plaats, maar met name de laatste twee eeuwen is het snel gegaan. De complete houtvoorraad van Groot Brittannië lijkt in de scheepsbouw en de steenkoolmijnen te zijn opgegaan. Ontboste terreinen die niet in cultuur werden gebracht vooral de hogergelegen gebieden veranderden in 'moors', kale vlakten begroeid met heide, stevige grassen en veenmossen. De moors wekken nu de indruk natuurgebieden te zijn, maar zijn feitelijk het gevolg van menselijk handelen. De ontbossing stuurde het hele ecosysteem in de war, de waterhuishouding, de bodem en het dieren- en plantenleven. Door het overschot van water konden op vele plaatsen metersdikke veenlagen ontstaan, met een bijbehorende vegetatie. Het aantal diersoorten verminderde drastisch en vele planten verdwenen. Een soort profiteerde van de ontbossing: de varens kregen licht en lucht en konden zich naar hartelust uitbreiden. Voor de schapenboeren die hooggelegen weiden proberen te ontginnen is het een ware pest.
Het Britse dierenleven is niet bijzonder spectaculair. Het Engelse cultuurland verschilt wat dat betreft weinig van dat bij ons. Vooral de meer natuurlijke loofbossen herbergen relatief veel kleinwild, reeën, vossen, dassen etc.
In de ontboste heuvels en bergen zijn van alle diersoorten uit het oorspronkelijke bos vooral de herten ('deer') gebleven. Met name in Schotland komen hiervan nog vele kudden voor, die vooral in stand worden gehouden voor de jacht. Hoewel ze in het wild leven, moet je de kudden namelijk als vee beschouwen. In bepaalde streken zijn de herten een middel van bestaan geworden. De bekende Schotse Hooglanders ('Highland Cattle') zijn ook semi-natuurlijk. De runderen kunnen vaak vrijelijk over grote gebieden zwerven, maar zijn meestal het eigendom van een plaatselijke boer. Een wandelaar in de moors zal zeker opgeschrikt worden door de 'grouse', een korhoen die net als een fazant pas opvliegt op het moment dat je 'm op de staart trapt. Hierbij slaakt het beest een gil gevolgd door een vreselijk gekwek. Dit tart het jagersinstinct van de mens en dat wordt dan ook veel gedaan.
Veel gevaarlijke slangen hoef je niet te vrezen. Evenals in ons land komt alleen de adder in Groot Brittannië voor. Sommige insecten zijn erger. De enige schrik voor wandelaars en kampeerders is de Schotse 'midge', die tegenwoordig ook wel voorkomt in noord-Engeland en Wales. Meer hiervoor vind je in hoofdstuk 8. Vanwege de enorme schapenteelt floreert ook de teek in de heuvels en bergen. Sommige mensen (zoals ik) oefenen een enorme aantrekkingskracht op deze kleine gluiperds uit. Vooral bij warm weer (korte broekenweer) is het dan raadzaam na een dag lopen je hele lijf te inspecteren.
Tegenover de kleine variatie aan wild op het land, staat Groot Brittannië vooral bekend om zijn grote vogelrijkdom. 'Birdwatching' (vogels kijken) is een geliefd tijdverdrijf van de Britten. In de bergen hebben grote roofvogels het rijk alleen. De koningsadelaar is, na een periode vrijwel uitgestorven te zijn geweest, weer terug in Schotland. Maar echte vogelliefhebbers moeten vooral naar de kust trekken, vooral de westkust en de Schotse eilanden. De vele klifkusten vormen het perfecte broedgebied voor ontelbare zeevogels, van papegaaiduikers tot Jan van Genten. Tevens zul je met name aan de westkust vaak zeehonden aantreffen.
Indeling van het boek
Op grond van het voorgaande heb ik Groot Brittannië ingedeeld in een vijftal gebieden die in de volgende hoofdstukken worden beschreven:
1 De 'Uplands', de bergen en heuvels van Engeland (hoofdstuk 4). Grofweg kun je hieronder alle gebieden rekenen die hoger zijn dan 300 meter. Het zijn grotendeels ongerepte gebieden met weinig inwoners. Wandelaars die deze streken opzoeken dienen goed uitgerust te zijn. Het stukje over veiligheid en gevaren in hoofdstuk 2 is voor met name voor hen geschreven.
2 De 'Lowlands', de lagere heuvelgebieden (hoofdstuk 5). Hieronder vallen de meeste heuvelruggen in Zuid-Engeland en andere heuvels die niet hoger zijn dan de 300 meter grens. Het is bijna overal cultuurland: bossen en agrarische gebieden. Vanwege hun hogere ligging steken ze letterlijk en figuurlijk boven hun omgeving uit.
3 Kustgebieden (hoofdstuk 6). Hoewel de Britse kustlijn gigantisch groot is, verdienen een aantal delen hiervan een aparte vermelding als wandelgebied. Het gaat dan bijna altijd om fraaie klifkusten. In deze gebieden vormt de kust vaak de grote attractie en bepaalt het karakter van het gebied.
4 Overig Engeland (hoofdstuk 7). Wat er na deze driedeling nog van Engeland overblijft, noem ik overig Engeland. Wat niet wil zeggen dat het een verzamelbak is van gebieden die je beter kunt mijden. Er zitten nog hele aardige stukken bij. Wat ze gemeen hebben is dat het vrij vlak laagland is waar soms prima te wandelen is.
5 Schotland, als apart wandelgebied (hoofdstuk 8). In principe zou Schotland ook prima op te delen zijn in hoog, middelhoog, kust en laag, maar dat doe ik liever niet. Behalve de gordel Glasgow-Edinburgh en de oostkust rondom Aberdeen bestaat Schotland voornamelijk uit afgelegen gebied. De hooglanden en ook de 'southern uplands' horen zonder meer bij mijn categorie 'uplands'. Sommige streken zijn niet hoog te noemen, maar horen wat betreft moeilijkheidsgraad ook zeker bij de 'uplands'. Vandaar een aparte vermelding. Het lopen in Schotland is zo speciaal, ook vanwege de afwijkende wetgeving, dat dit een aparte status behoeft.
De indeling is geenszins rigide. Sommige gebieden, zoals bijvoorbeeld Exmoor, vallen eigenlijk tussen de eerste en tweede categorie in. In figuur .. heb ik de indeling in een overzichtskaart weergegeven.
Nationale parken en AONB's
Uiteraard zijn ook andere indelingen te maken. Eén indeling is zeer nuttig, namelijk die de Britten zelf hebben gemaakt met het aanwijzen van gebieden als nationaal park en 'Area of Outstanding Natural Beauty' (gebieden met bijzondere natuurlijke schoonheid), afgekort als AONB. Dit laatste is een gebied dat net geen national park kan zijn, maar toch wel een bijzondere status behoeft.
Schotland kent nog geen nationale parken. Je zou ook vrijwel heel Schotland als nationaal park aan kunnen wijzen. Wel zijn er Forest Parks en nationale natuurreservaten.
Een overzichtskaartje van de nationale parken en AONB's tref je aan op pagina ..
Frappant is de overeenkomst tussen mijn indeling en de opdeling van Engeland in nationale parken en AONB's. Behalve Pembrokeshire vallen alle nationale parken onder de uplands en zijn de AONB's of lowlands of kustgebieden.
Gebruik van de gebiedsbeschrijving
Van elk afzonderlijk gebied heb ik in een kort stukje getracht te omschrijven wat het karakter van het gebied is, en welke speciale kenmerken ze bezit. Vervolgens zijn de wandelmogelijkheden in het gebied aangegeven onder de volgende kopjes:
Meerdaagse tochten
Hieronder versta ik uitgezette en beschreven routes die globaal genomen langer zijn dan 50 kilometer (dus minimaal twee dagen wandelen omvatten). Dit kunnen dan zowel gestrekte tochten als rondtochten zijn. Uiteraard horen alle officiële lange-afstandspaden hierbij. Daarnaast heb ik een selectie gemaakt van de overvloed aan 'officieuze' paden. Routes die niet zijn beschreven in een deugdelijke gids heb ik niet vermeld. Waar het aanbod heel groot is heb ik lange afstandspaden weggelaten die mijns inziens minder bekend en minder populair zijn. Waar het aanbod erg klein is heb ik soms een eigen route-suggestie opgenomen.
Dagtochten
Met dagtochten bedoel ik wandelingen van een paar uur. In sommige gebieden zijn bepaalde dagtochten heel populair; deze zijn dan aangegeven. Zo nu en dan zijn er suggesties van mijn kant opgenomen, maar wanneer je een bepaald gebied in dagtochten wilt gaan verkennen ontkom je er niet aan een wandelgidsje of een kaart te kopen. Voor degenen die er van houden om met behulp van een kaart zelf hun routes te maken heb ik per gebied een opsomming gemaakt van
Leuke punten
Ik heb hierbij vooral geselecteerd naar bezienswaardigheden voor een wandelaar. Bij een wandeling kijk je vooral naar de omgeving, naar het landschap. Ik heb de leuke punten dus vooral toegespitst op landschappelijke bezienswaardigheden. Cultuurelementen zijn alleen vermeld wanneer ze ook landschappelijk interessant zijn of slechts te voet bereikbaar. Uiteraard speelt ook mijn persoonlijke voorkeur hierbij een rol. Landhuizen en kastelen komen maar zelden voor in de opsomming; prehistorische overblijfselen daarentegen veel vaker.
Kaarten en gidsen
Onder dit kopje is summier aangegeven wat er aan kaart- en gidsmateriaal te verkrijgen is. Gidsen van lange-afstandspaden zijn niet met name genoemd omdat dit te ver voert. Van de genoemde paden bestaat in elk geval wel een gids.
Literatuurtips
Een bijzonder leuke manier om meer over een gebied aan de weet te komen is het lezen van een streekroman of een historische roman. In de Engelse literatuur bestaat er een lange traditie van het schrijven van verhalen die zich in een bepaalde streek afspelen. De verhalen die geënt zijn op bestaande plekjes gaan helemaal leven wanneer je deze plaatsen te voet kunt nalopen.
Uplands
Lowlands
Kustgebieden
Overig Engeland
Schotland
Overzichtkaart Nationale Parken, AONB's, Forest Parks en Nationale Natuurreservaten)
(Engeland)
Northumberland NP
Lake District NP
Yorkshire Dales NP
North York Moors NP
Peak District NP
Snowdonia NP
Brecon Beacons NP
Pembrokeshire NP
Exmoor NP
Dartmoor NP
Anglesey AONB
Arnside en Silverdal AONB
Cannock Chase AONB
Chichester Harbour AONB
The Chilterns AONB
Cornwall AONB
The Cotswolds AONB
Dedham Vale AONB
Dorset AONB
East Devon AONB
East Hampshire AONB
Forest of Bowland AONB
The Gower AONB
Isle of Wight AONB
Kent Downs AONB
Lincolnshire Wolds AONB
Lleyn Peninsula AONB
Malvern Hills AONB
Mendip Hills AONB
Norfolk Coast AONB
North Devon AONB
Northhumberland Coast AONB
North Wessex Downs AONB
Quantock Hills AONB
Shropshire Hills AONB
Solway Coast AONB
South Devon AONB
South Hampshire Coast AONB
Suffolk Coast and Heaths AONB
Surrey Hills AONB
The Sussex Downs AONB
Wye Valley AONB
(Schotland)
The Border Forest Park
Galloway Forest Park
Argyll Forest Park
Queen Elizabeth Forest Park
Glenmore Forest Park
Inverpolly National Nature reserve
Cairngorms National Nature Reserve
Inchnadamph National Nature Reserve
Ben Eighe National Nature Reserve