Béha

Laatst liep ik langs zo’n banenwinkel van de Landmacht. U weet wel, zo’n winkel die probeert het enorme personeelstekort bij Defensie tegen te gaan.
Nou heb ik zelf de militaire dienst geweigerd, dus zou je denken dat ik daar niets te zoeken had. Maar de betweter in mij had die dag de overhand en ik stapte naar binnen.

“Wat kan ik voor u doen?”, vroeg de aantrekkelijke dame achter de balie.
Ik legde uit dat ik graag mee wilde vechten in de oorlog tegen het terrorisme. Dat bleek een foute binnenkomer. “Mijnheer”, zo sprak ze verontwaardigd, “u denkt toch zeker niet dat wij blind achter die gek van een Bush aanhollen? Die man die niet eens het internationaal strafhof wil erkennen?”

Toegegeven, ik was even uit het veld geslagen. Een dergelijk anti-Ameri­kanisme had ik achter een balie van een banenwinkel van de Landmacht niet verwacht.
“Maar de eis van Amerika dat hun vredessoldaten niet door het Strafhof vervolgd kunnen worden lijkt me alleszins redelijk”, begon ik. “Stel je voor dat je met gevaar voor eigen leven een dorp met terroristen hebt uitgemoord en dat je dan door zo’n stelletje boekenwurmen in Den Haag wordt veroordeeld? Nou dan kun je het leger wel opheffen, dan krijg je toch niemand meer?”

Even dacht ik dat het nu 1-1 stond, maar zij bleek niet voor één gat te vangen.
“Mijnheer”, zei ze, “voor onbesuisde heethoofden is bij Defensie geen plaats. De allerbelangrijkste taak van onze mensen is om het geweld te beheersen. Als u graag dorpen met terroristen wilt uitmoorden, wens ik u het allerbeste.”
Ik probeerde mijn hete hoofd koel te houden, want ik dreigde toch wel erg door de mand te vallen.
“Maar”, zei ik, “even zonder gekheid: u zult toch wel met me eens zijn dat er een spanning bestaat tussen het uitoefenen van geweld tijdens vredes-operaties en de mogelijkheid dat je je hiervoor zou moeten verantwoorden? Als ik bij jullie in dienst treed, en op bevel in een vuurgevecht een paar terroristen neerschiet, welke garantie heb ik dan dat ik niet door het internationale strafhof veroordeeld wordt?”
“Natuurlijk mijnheer”, antwoordde ze beleefd, “onderkennen wij bij Defensie dit probleem. Maar u moet het niet overdrijven. U weet toch dat het Strafhof pas optreedt als de rechterlijke macht in het land zelf het laat afweten. En als u zich niet aan de regels heeft gehouden, dan kunt u er zeker van zijn dat u allang door onze Marechaussee opgepakt bent en door de Krijgsraad veroordeeld bent, voordat het Strafhof er van op de hoogte is. Bovendien, als u echt alleen een bevel opgevolgd heeft, is uiteindelijk alleen uw meerdere verantwoordelijk.”

Ik dankte haar voor de uitleg en liep gedesillusioneerd de winkel uit.
Waar haalde deze stevige tante haar vertrouwen in een goede militaire rechtsgang vandaan? Sinds het proefschrift van Vermeulen weten we dat een gewone Nederlandse soldaat die bevelen opvolgt juist een bijzonder slechte kans maakt dat als hij voor een rechtbank komt de verantwoordelijkheid voor oorlogsmisdaden kan afschuiven. Sterker nog, meestal blijven juist de bevelhebbers buiten schot. Of zij ontkennen opdracht tot oorlogsmisdaden gegeven te hebben. Bewijs dan als soldaat maar eens dat je dat ‘geheime’ bevel wel degelijk gehad hebt.

(Béha 11 in Nieuwskrant 22 – december 2002)

HOME - Béha
Béha1 - Béha2 - Béha3 - Béha4 - Béha5 - Béha6 - Béha7 - Béha8 - Béha9 - Béha10 - Béha11 - Béha12 - Béha13