Ze liep naast me en had zo’n moderne, modieuze hoofddoek om.
Plotseling begon ze te schreeuwen: “Bush, moordenaar, Bush,
moordenaar!”. Het was een zonnige zaterdag en we waren bepaald
niet alleen.
Toen ze even stil was keek ik haar aan en vroeg of ze
er ooit eentje ontmoet had. Een moordenaar. En of ze er ook mee
gesproken had. Ze wierp me een vertwijfelde, dodelijke blik toe.
“Ik
wel”, loog ik.
“Ik zat in de gevangenis”, begon
ik uit te leggen, “en hij ook. Hij, omdat hij iemand vermoord
had, en ik, omdat ik weigerde te doden.”
Dat was weer een
leugen, want ik had niet in de gevangenis gezeten, maar dat had best
wel zo kunnen zijn. En ik was niet begonnen met hem te praten, maar
hij met mij.
Ze keek me aan met nauwelijks verholen ongeloof.
De man had grote moeite met mijn koppige verzet tegen de militaire
dienstplicht. Hij zat me constant uit te dagen en gebruikte andere
gevangenen om mij onder druk te zetten en om tegenover de groep mijn
pacifisme belachelijk te maken.
Maar toen hij er na enkele weken
niet in slaagde om mijn overtuiging te breken, veranderde hij als een
blad aan de boom. Ineens wilde hij met me praten, niet waar iedereen
bij was, maar onder vier ogen. Ik moest me tegenover hem
verantwoorden. Hij was begonnen zich af te vragen waarom ik zo
principieel tegen de dienstplicht was dat ik bereid was me door de
samenleving tot een celstraf te laten veroordelen. Ik merkte dat ik
hem heel wat uit te leggen had.
Ik zei dat ik niet geloofde dat
het natuurlijk is dat mensen elkaar doden. Dat alleen in uiterste
gevallen mensen elkaar iets aan zullen doen. En dat dat stukje kwaad
in iedereen zit, maar dat het de kunst is om dat te bezweren en te
beheersen. In het leger wordt je juist gedwongen die kwade kant te
ontwikkelen, te leren wapens te gebruiken tegen mensen die je niet
kent en die je vaak niet eens kunt zien. Zo wordt geprobeerd van een
mens een moordenaar te maken. En daar verzette ik mij tegen.
Later,
toen mijn mede-gevangene zijn straf had uitgezeten, werd hij
opgeroepen voor militaire dienst. Hij heeft geweigerd want hij wilde
niet meer doden. Nu zit hij opnieuw in de cel. En waarschijnlijk
zullen andere medegevangenen hem dwingen zich te verantwoorden,
waarom hij, een moordenaar, principieel tegen militaire dienst is.
Nadat ze mijn verhaal welwillend had aangehoord en langs zich af
had laten glijden, begon ze weer te scanderen: “Bush
moordenaar, Bush moordenaar!”
Ik wilde haar nog zeggen dat
het probleem niet Bush is, maar de door zijn regering uitgedragen
moraal dat het kwaad iets is dat buiten onszelf ligt en dat met
geweld uitgeroeid kan worden. Dat de Amerikaanse samenleving niet
veiliger is geworden door moordenaars ter dood te brengen en twee
miljoen misdadigers op te sluiten. Dat het cultiveren van het Kwaad
in militaire systemen, het bij elkaar zetten van het Kwaad in
gevangenissen, en het aanwijzen van een ‘As van het Kwaad’
wellicht de beste garantie is dat Het Kwaad onbeheersbaar
blijft.
Maar de menigte echode haar na, “Bush moordenaar,
Bush moordenaar!”
En net toen ik dacht dat ze me verder
negeerde, hoorde ik naast me: “Het afschaffen van de
dienstplicht was dus niet zo’n goed besluit?.”
Stomverbaasd
keek ik haar aan.
“Nou, daardoor zullen moordenaars in de
gevangenis nooit meer met pacifisten geconfronteerd worden!”
(Béha 12 in Nieuwskrant 23 – mei 2003)
HOME
- Béha
Béha1
- Béha2
- Béha3
- Béha4
- Béha5
- Béha6
- Béha7
- Béha8
- Béha9
- Béha10
- Béha11
- Béha12
- Béha13